De nuttelozen van de dag

Jacques Brel schreef ooit een lied met de titel de nuttelozen van de nacht. Ik ken er overigens enkel de Nederlandse versie van, gezongen door Jacques zelf. Dat er ook overdag nuttelozen zijn, is haast ondenkbaar. Toch heeft de schepper daarvoor gezorgd. De zevende dag zag hij dat het goed was en rustte hij uit. Op die dag zijn de meesten dan ook nutteloos.

Dat is buiten de waard gerekend. Zo bruist in Nederland op zondag het kunstleven. Vanaf pakweg dertien uur zet iedereen die begaan is met de letteren, de schilderkunst of de muziek zijn of haar beste been voor en gaat op stap. Hier een vernissage, daar een matineeconcert of nog de voorstelling van een boek.

Ik heb dit vaak genoeg meegemaakt toen de schilder Jas nog leefde en hij weer een tentoonstelling van zijn werk had versierd in een of andere Nederlandse galerie. In Haarlem of Laren bij Hilversum. Soms ook in Amsterdam. Altijd was de vernissage op zondag. In Ruigoord is het Festival van de Vurige Tongen met Pinksteren. Daar valt meestal een zondag tussen.

In België kwam de kerngroep van de dichtersgroep de muzenval eenmaal per maand bijeen op zondag. Enkele leden ervan hadden nu eenmaal regelmatige betrekkingen van culturele aard met het lage land boven de Moerdijk.

Het valt dan ook niet te verbazen dat het onderzoek naar het tieftaliaans geopend werd op een zondag, bij de borrel, ergens bij een van de leden van het onderzoeksteam. Bij dat team zaten oorspronkelijk enkele nuttelozen van de nacht maar die waren vrij vlug op natuurlijke wijze afgevloeid.

De oprichting van het team was een initiatief geweest waarvan tot op heden niemand de nemer kent. Op die manier schep je uiteraard een pracht van een geruchtenmolen. Het gerucht ging dat het initiatief uitging van een cafébaas. Het was gissen of dat de baas van café Eylders in Amsterdam was dan wel van café den Hopsack in Antwerpen. Een ander gerucht wou dat het een initiatief was van een gepensioneerd ambtenaar, misschien wel een oud-militair.

In ieder geval had het team het tieftaliaans van bij het begin moeten onderzoeken vanuit het aspect staatsgevaarlijk. Het moest nagaan wat daarvan aan was. Ondermijnde deze poëzie de staat? Nu was het team zodanig samengesteld dat geen van zijn leden precies kon inschatten waar de veiligheid van de staat begon noch waar die eindigde, laat staan dat het team een contour kon maken van wat de staat kan bedreigen. Verder dan de gewone clichés kwam het niet. Het tieftaliaans werd dan ook niet als staatsgevaarlijk gezien. Ziedaar een eerste vergissing.

Een lid van het onderzoeksteam had zelfs geopperd dat het tieftaliaans al bij al goed kon passen in het staatsapparaat. Niemand had hem tegengesproken. Het gerucht gaat dat dit lid de initiatiefnemer van het onderzoek zou zijn.

Hij staafde zijn bewering door gedichten aan te halen waaruit bleek dat de dichter ze geschreven had terwijl hij niets te zeggen had. Het waren daarom nog geen nietszeggende gedichten, nee. Ze spraken geen verveling uit maar het zalige niets dat heerst als er niets te doen valt en alles wel zal meevallen. Of tegen. Met dit argument had hij een stilte geschapen waar het team alleen maar kon van snoepen en waarbij iedereen spontaan het glas aan de lippen zette dat daar stond te wachten om gedronken te worden. Het was tenslotte zondag. De dag waarop je mag zondigen.

Het verwondert verder niemand dat korte tijd later de dichter van het tieftaliaans, Tiefenthal, het stempel kreeg van zondagsdichter. Zoals je zondagskinderen hebt.

Maanden later kwam een ander lid van het onderzoeksteam tot een bevinding die verder de hele vergadering beheerste. De boeventaal waarop het tieftaliaans vaak aanstuurt en waar het verwantschap mee zoekt, is internationaal. En dus niet taalgebonden maar louter talig. Niemand stond er toen bij stil dat hierin misschien toch een gevaar schuilde. Wie bijvoorbeeld op de zoekmachine google zoekt naar de betekenis van monkelaar komt meteen uit bij het blog Tieftalen. Monkelaar is dus een typisch tieftaliaans woord. Of geslachtsgemeenschap, dat niemand haast nog in de mond neemt. Of elders. Was lange tijd een succes als opzoeking via google afbeeldingen.

Op een dag kwam het team in spoed bijeen, toch maar weer op een zondag, zij het een andere dan gepland. Met ‘het kleine veldlied’ had Tiefenthal een tweede maal de virtuele trofee op zondag bij pomgedichten.nl gewonnen. Tot nu toe was het team zedig blijven zwijgen over dit wondere gedicht. Allicht omdat het, gezongen – het is echt een lied, uit de mond van de dichter die niet kan zingen, zo verschrikkelijk klinkt. Tenzij het trio dat de man begeleidt van de partij is en dan Anatomy van Mel Waldron, toen pianist bij John Coltrane, speelt. De vergadering boog zich dus over dit gedicht en moest haast stamelend vaststellen dat hiermee iets aan de hand is. Het onderzoek moest verder gaan in die richting.

Zo ging het echter niet. Toch niet meteen. Bij de eerstvolgende vergadering bracht een teamlid het gedicht ‘l’esprit européen est à l’heure de la liberté’ ter sprake. Het hiaat vertoonde op geen enkele plaats een barst, riep het lid uit. Er klonk gemonkel bij de andere leden van het team. Inderhaast bijeengeroepen, schoten de troepen eindelijk op, elkaar. Nu het bleek dat ze zelf waren aangetast door het tieftaliaans, zagen ze verplicht af van verder onderzoek. Althans voor hen werd de zondag opnieuw volledig nutteloos.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s