Feest in de foyer


Sint-Niklaas was zondag 12 maart 2017 het toneel van een sterk staaltje poëzie-optreden: Philip Meersman en Marc Tiefenthal muzikaal geruggensteund door het trio Riské, met Pat Riské op drums, Jean Demey op bass en Frans Van Isacker op altsaxofoon.

Na Halle in 1999 en Galerie de Zwarte Panter in 2006 was het de beurt aan het Waasland.

Velen waren genodigd, weinigen uitverkoren en verkocht & in de wolken. Traditiegetrouw kregen de afwezigen ongelijk en kunnen ze thuis rustig uithuilen. Overrompelend voor de enen, een openbaring voor nog anderen, puik voor de rest. Het bewijs dat woorden ertoe doen en iets doen voorbij het gangbare. Sfeer, betovering, wonder.

Het bijzonder kunstenfestival in Sint-Niklaas is inderdaad zeer bijzonder.

De man achter dit festival, Daan Antheunis, heeft ons in- en uitgeleid en nog wel aan de hand van enkele gedichten van Paul Van Ostaijen. Terecht

Hier vindt u een impressie

Pat slaat eropJean strijkt zefrans blaast ze

 

Advertenties

Wat was me dat een inspiratie!


Via wegen die geen enkele god zou willen doorgronden kwam ik gisteren op uitnodiging nog eens in Eindhoven terecht. PoëZie aan de beek heette het. Ik wou best aan de beek, ik zit anders al genoeg aan de poëzie.

Ik besloot de heenreis wat vroeger aan te vatten, her en der waren er problemen op de autoweg. De eerste vijfentwintig kilometers legde ik af in een uur. Er kwamen enkel ongevallen bij. Resultaat: ik was te laat maar had de organisatie verwittigd.

In Nederland is zowat alles georganiseerd, zelfs het landschap. Wie niet georganiseerd is, is ofwel autonoom ofwel een stelletje ongeregeld. Ik kwam terecht in een stuk georganiseerde natuur, op anderhalve steenworp van de luchthaven van Eindhoven. Overal bordjes, parkeerplaatsen, verharde paden, verderop zelfs onverharde doch verzopen paden. Er zou die dag een poëziepad worden ingelopen. In die toch al georganiseerde natuur zou de wandelaar een meerwaarde krijgen: her & der verspreid duiken gedichten op in het landschap. Laatst was ik in de kruidentuin in Antwerpen en daar duiken er ook op. Een kruidentuin moet een van de eerste georganiseerde stukken natuur zijn.

Ik heb me inmiddels verzoend met de menselijke organisatiedrang.

De afspraak was gepland in het inspiratiecentrum. Beter kon niet. Er was nog altijd een onweersdreiging dus zou het pad niet worden ingelopen, enkel ingelezen in het inspiratiecentrum. Hoe je aan zo’n naam komt? Ik zou het willen weten.

Naast organisatie van alles & nog wat is Nederland van oudsher een land van gedichten. Bij heel wat gelegenheden kruipen Nederlanders in de pen. Een Nieuwjaarsvers. Een geboortevers. Een afscheidsvers. Brave gedichten doorgaans, strak in een of andere vorm. Vormvast heet het dan. Men schrijft het om het vers, niet om de dichter. Daar zaten er heel wat van tussen. Sinds ik opgetrokken heb met Herman J. Claeys, heb ik me verzoend met deze verzendrang.

De organisatie van dit poëziepad lag in handen van een heuse commissie. Die had op haar beurt een beroep gedaan op Ronny Dijksterhuis voor de invulling van het omkaderend programma. Hij nodigde dichters uit, leidde ze in, stelde ze voor en liet ze aan het woord. Een organisatie op zich, uiteraard.

Het werd een gezellige bedoening, mede aan de hand van twee kleinkunstenaars, zeg maar zangers met gitaar. Het werd voor mij zelfs nog een prettige bedoening, daar ik kennis mocht maken met een van de vele dichters die al eens verschijnen op pomgedichten punt nl. De voordrachten verliepen netjes volgens de lijnen uitgezet door de organisator. Ik heb me daar al lang mee verzoend, hoewel mijn allereerste podiumoptreden, in Eindhoven nog wel, nog verlopen is volgens de anarchistische beginselen. Dit mag zeker worden vervolgd.

Wat moet een heiden in een heiligdom?


Heeft niet elke stad zo’n schat ? Geen enkel onderzoek kan dit bevestigen.

Sint-Niklaas, hoofdstad van het Waasland, met het grootste marktplein van het land, heeft als schat de dichter Daan Antheunis, voormalig cultuurschepen en sinds zijn pensioen nog enkel bezig met kanker, poëzie en beeldende kunst.

Hij stopte me ooit een kleinood in de hand, een ultra-pocketbundel gedichten, Reistijd. Zoiets noemt hij dan bibliofiel. Het past in de borstzak van een hemd. Het laat je niet meer los. Het overschaduwt zijn andere bundels, die wat kloeker ogen.

Hij had al plannen voor een vervolg op dit kleinood toen er weer eens een kanker de rotkop opstak. Alweer kreeg hij die in bedwang en onthoofd.

Met een jaar vertraging is nu het vervolg klaar. Het eerste is treinreizen door Frankrijk naar de Provence. Het tweede betreft autorijden door Frankrijk en stoppen in Laon.

Daan is een gezapige, gestructureerde mens, te groot voor Romaans, op maat voor Gothiek. Daarvan puilt Laon uit.

Hij heeft niets met heiligen, noch met god en toch stapt hij binnen in de kerk van Laon, een kathedraal. Voor minder gaat hij niet. Als hij langer schepen van Sint-Niklaas zou zijn geweest, zou de stad nog grootser uitgevallen zijn.

Van dat eerste kleinood blijft geen enkel exemplaar meer over. Een oplage van honderd, is dat veel? Ja, in poëzie in een klein taalgebied en zonder distributie. Bij de voorstelling van het tweede was al meer dan helft verkocht.

Zoek maar eens in de (boek)handel naar uitgeverij de kleine Danthe…

daan te gast bijj jean-jacques R.

Restlicht is er altijd

 

Blauw achter het hoofdaltaar –

wie doorgrondt hart en nieren?

Blauw van oktoberdruiven,

o hoofd vol bloede en wonden.

Blauw van vaders overall,

van aders op zijn hand.

Blauw aan een nachtrand,

voor schaduw zwart wordt.

Stouten op zaterdag


Dichters zijn als exotische bomen

Nou, ik schrap meteen die als: dichters zijn exotische bomen. Bovenstaand vers komt uit een gedicht uit de jongste bundel van Bart Stouten, gisteren voorgesteld in de Zwarte Panter, voor een volle kapel.

Door die als te schrappen maak ik Bart tot familie; nu, het is uiteraard onzin; dichters zijn geen bomen, Bart en ik zijn dat en hier & daar nog wel een. Frank de Vos bijvoorbeeld is een geweldig struikgewas en Benno Barnard is een overontwikkeld overblijfsel van een tongbot. Dit alles heeft niemand van bovengenoemden noch ondergetekende belet om met elkaar in gesprek te treden.

Dat is nu eens taal, zie. Let wel dat bomen hoger spreken dan struiken maar dat ligt voor de hand.

Ik kijk door het raam: buiten stoeit de herfst

De inleider van de bundel, Kurt van Eegem, bij god, was zeer geporteerd door dit vers; en door een paar andere. Die ik die daar staat door het raam te kijken, dat is Bart Stouten. Bij mij zou dat al vlug erop neerkomen: Kijk door het raam stoeit de herfst. Dan dwing ik de lezer mee te kijken, zie je.

(Dichters) ze brengen een Latijnse naam mee (die verder niemand begrijpt)?

Ik weet het niet het mag ook Grieks zijn voor mijn part, oncoloog ik zeg maar iets al zeg ik liever niets. Daarmee kom ik tot het punt waar Barts wereld en de mijne in elkaar gevlochten zijn geraakt: toen hij vertelde dat hij als enige van zijn gezin een auto-ongeval heeft overleefd, werd ik doodstil. En weet ik dat die jongen, die boom van een vent, het liefst in stilte mijmert door het raam.

Frank De Vosvan fooi tot bankgeheim van een & ander Bart-Stoutenbenno barnard in tv studio

Weinig volk op een semi-historische bijeenkomst


Op historische bijeenkomsten is het zaak wat volk bijeen te brengen maar toch weer niet te veel, zodat het nichegevoel onaangetast blijft. Sla mij nu maar dood, zo’n zin en zoveel onzin. En toch. De feiten maar niet op een rijtje.

Er bestaat, voornamelijk in Antwerpen, een genootschap rond de moderne poète maudit Paul Van Ostaijen. Het derde of vierde in zijn soort, ik houd het niet bij maar ben er wel lid van. Van Ostaijen is overigens in dit laaggelegen laagland bij de zee nog altijd even maudit – hoe durft hij het een klankgedicht boven een vormgedicht te plaatsen! Einde citaat – zodat dit genootschap mikt op een nichepubliek, waarvan een deel van poëzie nauwelijks kaas heeft gegeten.

Er bestaat in ditzelfde land ook een behoorlijk vooruitstrevende uitgeverij, het Balanseer, gevestigd in Aalst, een plek om foert tegen te zeggen, tenzij je uit Afrika komt. Zonder het Balanseer en het carnavalsfeest zou Aalst totaal niets voorstellen. Weinigen echter kennen het Balanseer. Ik ben er ooit geweest, anders zou ik nooit in Aalst geweest zijn.

Tot slot bestaat in ons land een schrijver die alles weg heeft van J.D. Salinger: teruggetrokken. Hij publiceert dan wel weer en sinds enkele jaren bij voornoemde het Balanseer: Willy Roggeman. Die ook een begenadigd free jazz saxofonist is. Ik heb hem bezig gezien tijdens de Laatste Nacht van de Poëzie in Vorst Nationaal (1980) waar hij in kwartet gespeeld heeft: Willy Roggeman met F. Timmermans (ds, perc.), Peter Hertmans (el g, el basg) en Stefan Hertmans (el g).

Gisteren zouden twee van de drie voormelde ingrediënten samen komen in Antwerpen op wat aldus een historisch moment zou moeten worden. Immers, Willy Roggeman komt niet uit zijn kluis. Mark van den Hoof zou zelfs gekomen zijn, die op twee blauwe maandagen nog meegespeeld heeft in Roggemans jazzgroep.

Hij heeft wel een nieuw boekje geschreven: Arabesken met Zot Polleken (die laatste is dan Van Ostaijen, Paul dus) uitgegeven dus bij het Balanseer. Van de sprekers die werden aangesproken om die avond te spreken gaven er twee verstek. Onze goede vriend Ha Ha Holvoet mocht inspringen. Gelukkig was de actrice die wat gedichten zou brengen er wel bij; anders was zot Polleken helemaal de mist ingegaan.

Wij dus blij met een halfdode mus.

Deze morgen zat ik zoals elke morgen op de trein met buurman Erik A. die net als ik in Brussel werkt. Om er op tijd en zonder stress gisterenavond bij te zijn, wou ik vroeger weg uit Brussel. Dankzij de nieuwe ellende van de NMBS is dat niet gelukt zodat ik op een drafje naar Antwerpen reed, net onder de snelheidslimiet. Hoewel Erik A. een onbestaande band heeft met literatuur – hij leest zelden of nooit Kaaiman in zijn krant de Tijd – bleek hij toch uitgenodigd te zijn geweest, gisteren in Antwerpen. Dank zij de NMBS is hij er zelfs niet eens geraakt. Een gemiste kans voor mij om Erik elders dan op de trein of op het containerpark te ontmoeten. En voor het genootschap om een potentieel nieuw lid te krijgen.paul van ostaijen matthijs de ridder

WillyRoggemanarabesken met zot polleken

Welbevinden van otters en hamsters (vervolg)


Hier is het dan en zo ziet het er uit:

 

.

Is het de Pont Saint Michel

of de Karelsbrug, Parijs

of Praag, of de tunnel

voor voetgangers en fietsers,

Antwerpen?

.

In het midden komen ze

elkaar tegen zonder tegemoet,

heffen het deksel van hun hoofd

en groeten. Beleefd. N’avond.

.

De een herkent plots de ander.

Dief! Rover, antwoordt de dief.

.

Man toch, hoe zie je eruit!

En erin, dan! Slanke spar

nu dikke beuk

tot welbevinden van otters en hamsters.

Zo goed als onvolledig zelfportret


1.       Ben ik een geleerde idioot,

weet ik veel en jij, ja,

ik heb een academische graad.

 

Ben ik gevaarlijk, ja zelfs

een gevaar in het openbaar?

Weet ik veel en jullie allen!

 

Ik raak u allen als ik hoest of niet?

En als ik schrijf? Of voordraag?

Weet ik veel en jullie allen!

 

Eigenlijk ben ik een eenvoudig virus,

een pantoffeldiertje dat

omhoog gevallen is.

 

De contra-Icarus dus, kortom,

en Daedalus ons aller vader,

weet ik veel en jullie allen!

 

2.       Ons aller vader hielp Pasiphaé

om te neuken met een witte stier.

 

Wat! Geen witte prins, pardon,

een prins op een wit paard, ach wat,

ik ben het kwijt,

het noorden maar ook de kluts.

 

Ombuigen en je krom lachen, ten aanval!

Nee, ik ben niet buitengewoon,

’t is waar, maar wacht maar.

 

 

3.      We moeten wel slagen

en verwonderingen uitdelen

om onze conditie op peil te houden

en het land boven water.

 

We zijn daarmee zeer opgezet

en opgezadeld, ha,

wat dacht je?

 

Dat wij, burgers van Calais,

ons uit minderhout laten snijden!

 

In eigen vlees gaan we diep