Bekentenis


Naar aanleiding van de nieuwsmelding dat de dichter Dirk van Bastelaere woordvoerder geworden is van de NVA-fractie in het Parlement – waarbij ik me afvraag wat hij uit die hoofde al niet moet gaan doen, toch niet veel soeps, wat kranten bijeenlezen; van tijd tot tijd een persbericht schrijven – beken ik: ik ben van de Wetstraat geweest. En toen al zag ik Dirk er rond lopen, zij het voor rekening van een socialistisch minister. Wie dit weet begrijpt beter waarom Dirk groen zou stemmen als hij vrijuit kon gaan.

Ik heb in de Wetstraat de nummers 2 en 14 gedaan, waar respectievelijk de minister van Binnenlandse Zaken en die van Financiën huizen. Dat waren respectievelijk de wat rechtse half edelman Nothomb en de licht linkse Philippe Maystadt. Ik ben niet van partij ‘veranderd’ noch overgelopen, al kon ik op de partij van die heren niet stemmen. Ik was er namelijk belast met een technische, ideologievrije opdracht: vertalen.

Den Bast zou zijn opdracht ook ideologievrij kunnen invullen maar als hij een bepaalde ideologie in woorden niet zou aanhangen, zou hij die baan niet gekregen hebben. Ik heb mijn ideologische voorkeuren nooit moeten laten meespelen in mijn loopbaan. Ook geen andere onderhorigheden. Of samenhorigheden, of horigheden tout court.

Ik benijd dus den Bast helemaal niet. Hij heeft zijn ziel moeten omturnen en laten turnen en oefeningen opgelegd in separatistisch – uiterst rechts denken, terwijl die ziel links blijft ademen en zo. Groen zelfs. Zo ben ik ook ooit hardhandig en met geweld als kleuter van links- naar rechtshandig omgeturnd. Ik kan nu met beide handen schrijven.

Ik geloof dan ook geen woord van wat den Bast daar allemaal uitkraamt over alleenstaande moeders, Belgicistische loeders in de letteren, en ander gebazel wat zijn voormalige spitsbroeder Erik Spinoy clichés noemt. Eigenlijk geloof ik van de hele Bast gewoon niets meer. Ooit de verdediger van de moderne, experimentele poëzie, kan hij nu in de poëzie beter zijn biezen pakken.

Een gedicht van den Bast zag er ooit als volgt uit:

Zelfportret in vallend serviesgoed

Ze diept blank aardewerk op
Uit het teiltje. Zo is ze begaan
Met de voortgang van orde
En reikt me een schaal toe: dat liefde
Als de onze van eenvoud kon worden.

Dan in een glimp op het wentelen,
Het gezicht waaruit ik mij ontspin:
Een Romeinse neus en gifzwarte ogen.
Voorts het plafond, beneden in licht,
Waarop zich zwarte vliegen bewegen.

Wanneer ik, ten slotte, het water
Dat zingt op de rotsen gelijk,
Tegen de vloer aan diggelen val,
Mag ik wel ooit zijn voortgebracht,
De vloer vermaakt wat ze kan.

Het is ongedaan weer. Zo is het goed.

“Zo is ze begaan met de voortgang van orde”. Ooit moet deze zin ontzettend raadselachtig hebben geklonken, zeker toen ze geschreven en gelezen werd in de jaren 1980. Nu pas krijgt ze haar volle betekenis. Zij is nu hij geworden. Denk maar aan Lou Reed: and then he is a she. De voortgang van orde, op een schaal, eenvoud… ook even in de spiegel kijken en die Romeinse neus zien (die van Hugo Claus allicht). Ik zet hier met opzet tussen haakjes de woorden die er niet staan.

Dirk is geboren in Sint-Niklaas, heeft in Leuven gestudeerd en is in Lokeren gaan wonen. Ooit en tot voor kort was hij deeltijds docent in een kunstschool in Antwerpen. Wie dit niet weet, begrijpt niet waarom hij in dat interview in de Morgen zo ongemeen scherp uithaalt naar ongehuwde moeders met kinderen die deeltijds in plaats van voltijds werken. Hij haalt eigenlijk vooral naar zichzelf uit, het zichzelf dat hij nu eindelijk van zich kan afschudden en achterlaten. Deeltijds werken voor alleenstaande moeders is dus duidelijk geen strijdpunt van links, al laat de Bast dit zo uitschijnen. Een beetje dichter kan makkelijk iets laten uitschijnen. Inschijnen is niet aan de Bast besteed.

Is Dirk een toffe pee met wie het goed pinten drinken is? Van Herman de Coninck kon ik ronduit zeggen: ja. Van Dirk: nee. Is den Bast dan iemand met wie het goed toeven is terwijl we vechtend over de keien rollen? Ik zou het niet weten. Zou hij of ik het zover laten komen? In elk geval heeft de rol die den Bast op zich neemt bij de NVA die andere rol onmogelijk gemaakt: voortrekker van de experimentele poëzie in het Nederlands taalgebied. Deze plaats is bijaldien en bij deze vacant verklaard. Deze plaats was trouwens al eerder ietwat vacant geworden sinds Benno Barnard schreef: “Ik vrees dat Van Bastelaere, die bezig is universitair geschoold te worden, de bevindingen van de literatuurwetenschap per vergissing als voorschriften beschouwt, zodat hij zijn eigen verzen in elkaar poogt te zetten volgens de methode die De Man toepaste om andermans werk uit elkaar te halen”.

De linkse foto is een van de vele foto’s die de Bast als profiel gebruikt. Staat hij of ligt hij? De vraag is niet relevant. De Bast staat en ligt tegelijk; hij is twee in twee, niet twee in een.

dirk van bastelaere kobenno barnard in tv studio

Advertenties

“Neem ze toch op in het consumentisme en de kous is af”.


Kijk, van zoveel wijsheid gaan mijn vingers jeuken. Er treden nog andere verschijnselen op. Fantoomhaar, bijvoorbeeld. Mijn haar gaat er recht van staan, bij wijze van fantoom of hoe met een kale man zijn haar overeind voelen staan?

Maar eerst nog dit: wie spreekt hier en waarover spreekt hij? Nee, omgekeerd: waarover spreekt wie?

Deze uitspraak gaat over de minder geïntegreerde zonen en kleinzonen en sommige kleindochters van voormalige gastarbeiders, voormalige allochtonen, meestal nieuwe inlanders.

Hier spreekt Henk Hofland, een wijze man uit Nederland van 82 jaar.

De kous is af. Maar wat is er dan gebeurd, waarom gaat het zo moeilijk om die lui hier te integreren? Consumeren ze soms niet?

Als je 82 bent, dan ben je toch al meer dan 25 jaar een wijs man, zou je denken. Heeft deze man hierover nagedacht of is het wijsheid, fris van de oude lever?

Na elf september tweeduizend en een, en na de moord op Van Gogh, niet Vincent dus maar zijn achterkleinneef, cineast – dus toch nog een beetje beeldend kunstenaar, Theo kortom, zijn er geen gastarbeiders meer, noch allochtonen en al helemaal geen nieuwe inlanders. Er zijn nu islamieten, mijnheer. Geef ze brood en spelen en ze zullen zich netjes gedragen.

Het nare is dat mijnheer Hofland op zijn gezegende leeftijd wel eens zijn laatste woorden daarmee heeft gezegd en daarmee de eeuwigheid dreigt in te gaan.

U ziet, ik vermijd dat verschrikkelijke onwoord consumentisme. Je kan het natuurlijk ook vertalen, dan zegt het meer waar het voor staat: verbruiksdom. Hoe meer je verbruikt, hoe dommer je wordt, of zo. Of nog: hou je dom en verbruik je (te pletter). Het doet denken aan communisme maar het is erger: vreet je vol of ik maak je koud. Of je vliegt eruit. Eruit vliegt trouwens niemand zomaar. Onder het communisme ging je in de contramine en vandaar kwam je soms uit in het liberalisme of in het beste geval werd je een ondergronds aanhanger van de democratie. Veelal kwam je terecht in een goelag en groen lachen was daar dagelijke kost. Maar je ging schrijven, verdraaid, daar in de contramine. Het wemelde er van toneelschrijvers en dichters. Soljenitsin, was dat geen schrijver? Nee, eerst was hij een wetenschapper.

Onder die onaangepaste nazaten van voormalige gastarbeiders zijn er weinig die schrijven. Ze zitten niet in de contramine maar verblijven gewoon aan de rand van de samenleving. Ze hangen daar wat rond. Sommigen onder hen, die zich na een tijd uitverkoren wanen, worden aangeworven voor de grote daad. Die bestaat erin de wagen met zelfontploffende motor, genaamd naar zijn uitvinder Rudolf Diesel, te ruilen voor een gordel springstof. Hun opleiding is minimaal, ze worden getraind in uiterste en dus blinde gehoorzaamheid, en hoeven slechts een zin te kennen (van de hele koran lezen ze namelijk geen letter, wegens onvoldoende geletterd, daarom schrijven ze ook niet): dat god de grootste is. Deze zin moet hun laatste woorden inluiden.

Er wordt ondertussen druk werk gemaakt om onder hen schrijvers tot leven te wekken. Het moeten niet allen voltijds vet gemeste consumentisten worden. Maar velen zijn er niet die naar de pen grijpen.

Soms zou je geneigd zijn die oude, wat grijze soms wijze man gelijk te geven. Baantje, trammetje, slaapje. Daar komen dan kinderen van en lopen ze wel in de pas. Tot blijkt dat het goedje waarmee ze zichzelf tot ontploffing brengen niet alleen werkt op marginalen maar ook op doorsnee baantje, trammetje, slaapjesmensen. Eigenlijk kan iedereen zo’n snelle opleiding verwerken en dan doorstoten tot het hoogste en het grootste, waarbij de zijdelingse vernieling zo groot mogelijk dient te zijn.

Daarom was de moord op Theo van Gogh een uitzondering. Die man die de moord gepleegd heeft, had helemaal geen opleiding gevolgd. Hij hing al lang niet meer zomaar wat doelloos rond. Nee, hij zat uren achter zijn computerscherm en voedde zijn leegte met zelfgekozen ideologie. Of zelf gebrouwen ideologie. Hij vond ineens een zending, een zin in zijn leven, zette daarvan nauwelijks een zin op papier, wat? Schrijver worden? Wat lullig! Nee, hij voegde de daad bij een of ander woord dat hij ergens had opgevangen.

Toch neig ik naar het consumentisme als oplossing voor marginaliteit die naar staatsgevaar leidt dan wel neigt. Dat komt door mijn eigen levenservaring. Ooit ben ik aan de dijk gezet, in de marginaliteit (tegen)gewerkt, kortom weggewerkt. Van het ene jaar op het andere werd ik staatsgevaarlijk. Niet de Rode Armee Fraction kon op mijn sympathie rekenen noch de door de Mossad aangestuurde Bende van Nijvel, allemaal te militair, als wel de CCC. Vooreerst heb ik als nominalist een zwak voor die drie c’s. En dat die nog iets betekenen: cellules communistes combattantes (strijdbare communistische cellen, scc in het Nederlands, je mist al vlug een c)! Tegen dat ze werden opgerold zat ik net opnieuw in de boot en werkte uitgerekend in staatsdienst, in kringen waar CCC en compagnie werden opgerold.

Wat ik echter vooral deed in die staatsgevaarlijke tussentijd, was schrijven. Doe ik nog altijd en in schijn consumeer ik wel. Met mate, hoor, eigen huis, oké, eigen vervoer en dus automobiel, ja graag, maar geen kredietkaart, geen eindejaarsfeesten (wegens te veel feest van het consumentisme, belachelijk gewoon). Wel feesten, ten gerede tijd en buiten de tijd opgelegd door het cryptoconsumentisme.

Ik heb wel met frisse tegenzin een volledig schoolparcours achter de rug en met getuigschriften. Dat heeft me gered (en niet een of andere kreet uit een of andere ideologie). Ik heb me met andere woorden in afgewogen mate als aangepast gedragen en daarnaast, daar tussendoor een onaangepast gedrag blijven ontwikkelen, in het schrijven.

Maar of je iemand kunt opnemen in het consumentisme? Een adoptief consument? Het blijft een open vraag. Me dunkt staat of valt heel wat met de manier waarop deze ongeïntegreerden in het schoolsysteem worden geprangd en daar voldoende zin krijgen om een tegengewicht te vormen voor hun tegenzin. De rest komt dan nog niet echt vanzelf. Het huis is nooit af, schreef ooit een van mijn hoogleraars. Het werd de titel van een boek. De kous is ook nooit af, maar maak ik er een titel van?

Ondertussen zou ik iedereen in de mate van het mogelijke een goede nachtrust willen wensen. Anders een dagrust. En geen schrik als er onverwacht alsnog iets mocht gebeuren, dat niet de media haalt maar wel je leven overhoop. 

DHKPC revisited


Het gebouw was een eender gebouw: het had alles weg van een voormalig pakhuis, uit de tijd dat bedrijven nog voorraden aanlegden. Later deden ze dat niet meer, ze leverden in werkelijke tijd, ongeacht de verkeersellende die dat meebracht en de tijd die ze daarmee zelf verloren. Nu doen ze het nog steeds niet, nu niemand nog iets uit hun voorraden wil kopen.

Het was met andere woorden een uitgelezen locatie om bedrijfsleiders bijeen te brengen. Ineens kon de parking weer worden gebruikt. Ze had er jaren leeg bij gestaan en was al groen van het mos en het gras. Vanavond stonden er dus weer volop wagens. De meeste waren nauwelijks twee jaar oud en hadden gemiddeld een vermogen van meer dan 160 pk. Een aandachtig toeschouwer zou in het neonlicht ook hebben gemerkt dat de meeste huurwagens waren, eigendom dus van een leasingmaatschappij.

Binnen was het gebouw voor de gelegenheid en in geen tijd aangekleed voor de wat plechtige, zij het geheime bijeenkomst. De organiserende club, Doe Het Keurig Pak de Centen, kortweg DHKPC, zou hier immers zichzelf een nieuwe maatschappelijke rol toebedelen. Elke deelnemer genoot zoals gewoonlijk voluit van zijn en hier en daar ook al zelfs haar anonimiteit, al viel het niet uit te sluiten dat er onder hen stiekem een Zwitsers journalist schuil ging. Of een Belgisch journalist van een of andere kwaliteitskrant. Of een agent van een of andere inlichtingendienst, vooral een Belgische dan. We lopen nu eenmaal graag wat vooruit op de feiten.

De feiten dus. Om acht uur, zijnde twintig uur, gingen de deuren potdicht. Iedereen zat op zijn en hier en daar ook haar stoel en het licht in het zaaltje ging uit. Eerst verscheen de voorzitter ten tonele. Hij sprak zoals het een voorzitter betaamt, afgemeten in zijn woorden, plechtig in zijn stem.

“Voortaan wordt onze vereniging een zelfhulpgroep. We hebben jaren lang bijeenkomsten gehouden waar we rijkelijk champagne en sigaren konden verteren. Die tijd is nu voorbij. We hebben jaren lang geleefd als kapitalisten. Die tijd is nu voorbij. We worden vandaag een zelfhulpgroep onder communistische vlag. Als de bijeenkomst afgelopen is, zal onze secretaris rondkomen en kunt u hem uw autosleutels afgeven. De vereniging zorgt er dan voor dat uw wagen, die de uwe niet is, bij de rechtmatige eigenaar terechtkomt. Een beetje dienstverlening bent u wel gewoon in deze club. Nu laat ik het woord aan onze bijzondere gastspreekster.”

Er verscheen een tijdlang niets meer op het podium, toen de voorzitter was afgetreden via de treden en gaan zitten in de zaal, uiteraard op de voorste rij. Het licht werd geregeld. Was daarnet nog blauw de boventoon in de verlichting, nu werd het paars en geleidelijk werd het licht roder. Er zwol een beetje muziek aan, geen strijkje, maar een marsje. De persoon die nu verscheen was voor velen een totaal onbekende, zeker omdat Fehriye Erdal het pseudoniem Daalder gebruikte. Bovendien zag ze er lichtelijk feeëriek uit in haar rode baljurk.

In tegenstelling tot Osama Bin Laden is Erdal minder gezocht. Ze liep er zelfs uitgelaten bij, daar op dat podium. Osama was trouwens nog niet veroordeeld, laat staan gevonden, Erdal was al gevonden, veroordeeld en dan op de valreep ontsnapt. Nu dus bleek ze zich in te zetten voor een nobel doel: de recyclage van bedrijfsleiders van de vrije markt naar de planeconomie. Niet de Belgische variant van die laatste, de trek uw plan economie en liefst in het zwart. Nee, de enige echte ware planeconomie van vadertjes Lenin, Marx en Staalharde Ome Jozef. Ze sprak de goegemeente in deze club toe in het Frans, tot nader order nog steeds de betere wereldvoertaal. Ze sprak eigenlijk de mensen niet echt toe, ze deelde bevelen uit.

Na afloop van haar rede stonden de bedrijfsleiders op, gaven hun sleutels af en verzamelden zich bij de uitgang. Deze bleek ineens streng bewaakt van binnen. Toen de grendels werden weggeschoven, trokken de clubleden naar buiten, niet zo uitgelaten als men van hen gewoon zou zijn, maar beteuterd en in een lange zwijgende rij. Een bus wachtte hen op. Ze namen plaats en reden vervolgens met de bus naar de volgende bestemming: de heropvoedingsschool, nu omgevormd tot bedrijfsleidersrecylagecentrum.

En hoe u dit nu allemaal hier kunt lezen en wie dit allemaal te weten is gekomen en aan de dans, in casu de bus is ontsnapt? Hebt u dit, lezer, te danken aan een undercover Zwitsers journalist, een loslippige geheime agent van de Belgische veiligheidsdienst of aan een undercover Belgisch journalist van een kwaliteitskrant? Dit dienen we hier in het midden te laten, u begrijpt volkomen waarom, nietwaar.

 

Open brief aan Gerda Dendooven


Beste lieve, gekke mevrouw,

Ik ken u weliswaar niet en schrijf u daarom aan in zo’n hoogverheven vorm als de tweede persoon meervoud, ware het niet dat je zondag op de radio Daniil Charms vernoemd hebt als een van je lievelingsauteurs.

Meteen vraag ik me dan af en vraag het hierbij op de vrouw af: en wat met Henri Michaux? Heb je die ook gelezen? En als dat niet het geval zou zijn, wordt het dan niet stilaan tijd? En zou je vandaar dan niet bij mijn werk en bij deze brief belanden?

Bij deze beland je trouwens in de volgende rij mensen aan wie ik een open brief heb geschreven: Chris van Camp (druk bezocht op dit blog), de burgemeester van Temse, David Troch, Benno Barnard.

Tijd dus voor wat verbeelding, aan de macht? Toch minstens in de letteren. Gedaan met de journalistieke, anekdotische in- en doodsteek waaraan zoveel letterkunde tegenwoordig lijdt. Zo mag ik jouw boodschap en oproep samenvatten.

En dat onze kinderen en kleinkinderen nog wat verbeelding mogen behouden bij het ouder worden, nietwaar, zoals wij dat hebben gedaan. Het is onze schat en inflatie heeft er geen greep op. De schoolse opvoeding en vooral, later, de samenleving met haar arbeidsmarkt proberen ze wel in een wurggreep te krijgen. Of in een citroenpers.

Wat Michaux betreft, ik heb die vertaald en vervolgens aangehaald in een essay over de gemiddelde gektegraad in de moderne poëzie. Het had als titel: goedschiks kwaadschiks, goedgeks kwaadgeks en is indertijd, de jaren 1980, verschenen aan de universiteit in Leiden.

Geheel terzijde gegroet.

 

Vlaardingen


Twee mannen verlieten ooit deze voorstad van Rotterdam.  De een was mijn vader, de ander heette Willem De Kooning. Die laatste had gewoon zin om te gaan zien of het gras niet groener was aan de overkant. Hij raakte stiekem in een vrachtboot in de Verenigde Staten en is er geheel autodidact schilder geworden.

Mijn vader had zijn vader verloren tijdens de oorlog en kon dus niet voortstuderen. Hij wou de boot op, net als die ander. Maar de haven van  Rotterdam lag plat op het einde van de oorlog. Elders dan maar aanmonsteren, dacht hij, en trok zuidwaarts. ’s Nachts stak hij stiekem de grens met België over en beproefde zijn lot in Antwerpen. Daar lag de haven echter al even plat. Toen ging hij maar kranten venten op straat, op de Meir.

Hij verkocht er zo goed dat dit een journalist van een van die kranten opviel. Hij maakte kennis met mijn vader, het klikte en hij troonde de economische vluchteling mee naar het Sportpaleis, waar een arbeidersbeweging het licht zak.

Zo begon zijn geschiedenis. Enige tijd later ontmoette hij de dochter van een Fransman die getrouwd was met een Belgische. Ze werd zijn vrouw, nog later mijn moeder.

Mijn vader kende een geslaagde doch korte loopbaan als hersteller van elektrische huishoudapparaten, werd verkoper van dit artikel en eindigde deze langere loopbaan als verkoper van het beste dat België te bieden heeft: pralines.

Hij is gestorven op 25 januari 2009, 81 jaar oud.

daar komt het loze wevertje weer


Op het internetplatform van de vrt, de redactie, lazen we wat volgt:

 

vr 01/08/08 14:24 – Volgens N-VA-voorzitter Bart De Wever bestaat in Vlaanderen geen Franstalige minderheid, enkel "migranten die zich moeten aanpassen". Dat heeft hij vanmorgen verklaard op de RTBF-radio.

 

Bart De Wever was door de Franstalige openbare omroep uitgenodigd om te antwoorden op vragen van luisteraars.

"Ik vind niet dat er een Franstalige minderheid bestaat in Vlaanderen", antwoordde De Wever op een van de vragen. "Er zijn wel Franstalige migranten die zich moeten aanpassen, net zoals de Turkse en Marokkaanse migranten."

"Die andere bevolkingsgroepen krijgen ook niet te horen: "Jullie zijn talrijk, het Arabisch wordt een officiële taal". Dat zou al te gek zijn. Nergens in de wereld zou men een dergelijke logica aanvaarden", aldus De Wever nog.

De N-VA-voorzitter wilde alleszins niet voor onverdraagzaam worden versleten. "Iedereen is welkom in Vlaanderen. Men kan er Frans blijven spreken. Alleen vragen wij dat de officiële taal het Nederlands is."

 

 

1.     Ik vind niet dat er een Franstalige minderheid bestaat in Vlaanderen. Hoe vind je die? De pezeWever neemt hier aardig wat hooi op zijn vork. Hij vindt dat iets bestaat of niet.

2.     Al wie Franstalig is in Noord-België staat gelijk met een volksverhuizer. Geen faciliteiten, uiteraard. En welkom dat ze zijn!

3.     Men kan er Frans blijven spreken. Alleen vragen wij dat de officiële taal het Nederlands is.

 

Eigenlijk zegt Bart de pezeWever hier niet meer dan dat er geen faciliteiten mogen zijn voor volksverhuizers, of ze nu Turks, Frans of Spaans spreken, of Arabisch. Met andere woorden, ineens is het Frans geen van de drie erkende landstalen meer. Enfin, dat vindt hij uiteraard. Wat wij er ook mogen van vinden, laat staan wat daarover in de grondwet staat. O, de pezewever wil desnoods te voet gaan naar het grondwettelijk hof via Scherpenheuvel of gaat hij liever de dodenmars in Bornem aan?

 

De N-VA-voorzitter wilde alleszins niet voor onverdraagzaam worden versleten. Toen was het kwaad echter reeds geschied. Il est dingue.

 

Hoe hij het precies zei lazen we dan weer op het internetplatform van de rtbf:

"Je pense qu’il n’y a pas de minorité francophone en Flandre, il y a des immigrants qui doivent s’adapter. On demande cela à des Marocains, des Turcs. On ne leur dit pas: ‘Vous êtes nombreux, donc l’arabe deviendra une langue officielle. C’est dingue"

 

en nog dit:

Quant à Bruxelles, "ville historiquement flamande qu’on a francophonisée", c’est là que se trouve "l’identité belge qu’on a inventée au XIXe siècle", estime-t-il. Et "puisque c’est l’enfant de la Belgique, je pense que les deux parents doivent s’en occuper", a-t-il dit à propos de la Flandre et de la Wallonie, refusant de reconnaître la Région bruxelloise comme région à part entière.

Dus als we de pezewever volgen, komen we verdraaid uit in België, pardon, oeps, in Brussel. Brussel is het kind van België.

Overigens was Brussel helemaal geen Vlaamse maar een Brabantse stad. In wat toen Vlaanderen was, spraken de hoogste kasten Frans en broebelden de onderkasten iets in een streektaaltje met 25 kilometer verstaanbaarheidsradius; in het hertogdom Brabant was het Nederlands dan weer de voertaal. Vergeten we vooral dat dhr. De pezewever historicus is, ook al heeft hij alles weg van een hystericus.

Le plus dingue is dat er al bij al heel weinig Arabisch sprekenden zijn in het Noorden van België. Vooreerst zijn er de Turken, die thuis Turks spreken en zelfs geen Arabisch verstaan. De Marokkanen die hier stilaan wat aarden spreken thuis geen Arabisch maar in meerderheid Berbers. Uit ervaring, hoor, soms spreek ik ze aan in het Arabisch en verstaan ze me niet.