Goedschiks, kwaadschiks, kwaadgeks, goedgeks Over de gemiddelde gektegraad in de moderne poëzie

 

Inleiding

Hoe wijs is het vingertje?

Klink ik gek, klink ik goed, klink ik te mooi om waar te zijn? Vaak krijg ik ze ervan, die vragen. De grootste gekken stellen ze eerst. Moet je gek zijn om dergelijke vragen te stellen? Ik weet het soms niet, laat staan beter. Heel wat beter echter klonk de vraag, indertijd, het was 1986, vanwege de universiteit van Leiden. Of ik als gastschrijver niet een bijdrage wilde schrijven voor een themanummer van het tijdschrift Decorum van de faculteit van de kunstgeschiedenis. Het thema was de gekte. Ik heb het ooit aangeboden ter publicatie in het Vlaams letterkundig tijdschrift ‘De brakke hond’. Het is niet doorgegaan omdat ik uit eigen werk citeer. Dit is een voorrecht dat enkel redacteurs van dat tijdschrift toekomt. Te gek. Hier komt het. Ik wijk hier en daar af van de oorspronkelijke tekst, onder meer om rekening te houden met de inmiddels gewijzigde spelling.

Hier gaat ie.

“..Maar is de mens zo dom dat hij kan helpen

dat dichters dikwijls vreemd doen

dat één een vers begint met SUBALTERNE DIEVEN

wanneer hij zich wat ongemakkelijk voelt?

Een kok voelt zich misschien niet anders maar

gaat naar zijn werk en neemt een aspirine”.

(Jan G. Elburg, uit: Laag Tibet, 1952)

 

Kan Elburgs vers een antwoord bieden op de vraag naar de gektegraad van pakweg de dichter? Als vertrekpunt alvast zo meegenomen.

In vroegere, zogenaamd duistere tijden dienden dichters zich te verdedigen tegen aantijgingen van de Inquisitie. Theresa van Avilla en San Juan de la Cruz bijvoorbeeld werden ervan verdacht omgang te hebben met de duivel.

In onze huidige, zogenaamd (neon)verlichte tijd, krijgt de dichter te horen dat hij vreemd doet, gek is. Welnu, die heren van de Inquisitie waren allicht dichter bij de kern dan de twintigeeuwse volksmond. Hoe gek het ook mag klinken zal ik dit als dichter proberen aan te tonen, op heldere wijze, meteen de volksmond – zo dom – snoerend.

Ik zal beginnen bij de gemakkelijkste opgave: het snoeren van de hedendaagse volksmond, om dan het moeilijkere aan te snijden, datgene wat precies de kern van de kunstzaak uitmaakt.

 

  1. “How mad can we get?” of het (on)gemak der dichters

 

In tegenstelling tot de zielenknijpers – de psychiaters, hield dr. Freud (Wenen) zijn handen meestal thuis en legde hij veeleer zijn oor te luisteren. Deze eenvoudige verwoording staat voor een revolutie in de benadering der mensenziel. Of: naar een aspirine grijpen of naar de pen grijpen? Freud stelde vast dat het individu in zijn droom zichzelf bezig zag, zeg maar: zich kan ontdubbelen. Dat zelf dat hij zo ziet, wat is me dat? Wat zie ik?

Dr. Jacques Lacan (Parijs) antwoordde gevat op deze vraag waar Freud bleef mee zitten: ik die me zie, kijk naar een beeld, een imago. Ik kan dat beeld met afgrijzen of met mildheid, of nog met humor bekijken: blijkbaar ben ik dat niet helemaal. Tot zover is er niets aan de hand.

Werk is er voor deze doktoren psychoanalytici pas als blijkt dat een individu zichzelf ernstig neemt, en meent dat beeld te zijn. In de psychoanalyse komt het dan erop aan voor het individu dat beeld als beeld te (laten) onderkennen, als slechts een beeld. Wanneer dit niet lukt, dan is het individu gek.

Zelf gaat dr. Lacan zo ver te stellen dat de mens zich van het dier onderscheidt doordat hij, onvolkomen ter wereld gekomen, een beeld van zichzelf nodig heeft om iemand te worden. Dat beeld komt onder meer van de taal. Elke zin die je uitspreekt betreffende jezelf of je omgeving – waarin je je zelfbeeld projecteert – is zo’n beeldvorming. Zeggen “ik eet”, terwijl je aan tafel zit. Of: “ik vreet”; of nog: “ik nuttig, schrans of vier bot”, enz.

Je kunt dus zonder meer stellen dat deze mogelijkheid tot ontdubbeling aan elke, niet-gekke mens gegeven is. Let wel: gegeven, niet aangeboren. Tot hier de medische beschouwingen. Nu dan de dichters aan het woord.

Als de hele zaak zou te herleiden zijn tot: zie hier de domme mens en daar de vreemde dichter, dan zou ik kunnen volstaan met Elburg opnieuw aan te halen. Doch waar sta je dan: hier noch daar. Zeer ver, te ver voor een dichter, die ook een mens is. Elburg zelf ondervond al dat sociale duiding geen antwoord gaf. Hij ging de Provençaalse toer op, terug naar de Middeleeuwen, het midden van de zaak. Ik neem hier liever mijn toevlucht tot Henri Michaux. Waarom? Allereerst omdat hij ter zake zeer verregaand was en er bovendien notities op nahield. Op zijn reis naar de innige afgrond. Doch eerst wat toelichting over werk en persoon.

Het was veeleer bij toeval dat ik in een der dagboekvolumes van Anaïs Nin (Spaans-Cubaanse dichteres en schoonschrijfster) vernam dat Henri Michaux bestond. Nin wilde hem opzoeken in Parijs. Ik weet zelfs niet meer of ze daarin slaagde: Michaux was bijster weinig gesteld op belangstelling. Toen hij in het voorjaar van 1985 stierf, werd dit pas enkele dagen nadien bekend gemaakt. Hij werd in het begin van de twintigste eeuw geboren te Namur (België) en week al vroeg uit naar Parijs, nam later de Franse nationaliteit aan. Hij ging reizen, tekende, schilderde, speelde muziek en schreef. Onder meer schreef hij dat hij reizen vervelend vond. Daarop begon hij een reis naar het binnenste van zichzelf. Niet per boot, maar met mescaline, een hallucinerend extract van een bepaalde cactus. Zijn reis had in het begin geen doel. Slechts na vele trips kwam hij ertoe vast te stellen dat hij in ontmoeting kwam met het turbulente oneindige (l’infini turbulent, ook de titel van het boek waarin reisverslag van acht trips). In de inleiding tot dit reisverslag stelt hij vast dat de tekeningen die hij onder invloed, in de zelfontdubbeling, maakte, helemaal verschillen van die van pakweg schizofrenen. De laatste zitten vol verstarring, de eersten zijn een en al verrukking, passie in vloeiende lijnen en gevarieerde vormen. Ik laat hem daarover zelf aan het woord, maar eerst dit: hiermee staan we voorbij de volksmond: het ongemak van de dichter is omgekeerd evenredig aan het gemak waarmee hij zich ontdubbelt.

 

  1. “How to get there so far” of: far east, far west, thuis best

 

Voor zover de lezer nog niet heeft afgehaakt met de benepen verontschuldiging uit de Nederlandse volksmond: “Doe maar gewoon, dan…”, heten we hem of haar hier welkom aan boord. Reisleider Michaux heeft het over de demon: hij ontmoet zichzelf in de ontdubbeling als iemand die aangekeken wordt door een grimmig lachende duivel, die hij in angstzweet weet te ontmaskeren als … zichzelf. Ter herinnering, Michaux begon zijn trips uit onvrede en verveling, dus uit onvoldane passie. Dat is dan ook de beweegreden. Zijn ontmoeting, onderweg, met de demon, is niet meer dan verbeelding die hem parten speelt. Daarom beeldt hij een en ander uit in tekeningen. Laten we hem daarover nu zelf aan het woord (pp. 128 en volgende):

“De tekeningen van mensen die de proef van de mescaline hebben ondergaan, vertonen een groot verschil met die van schizofrenen. De trekken van de eerste zijn meestal vereenvoudigd, geworpen naar omhoog, zeer hoog gedragen, tegenstrijdig. (Als er verf bij komt, zijn de kleuren uiterst lichtgevend, zeer zuiver, of in zeer contrasterende tonen over elkaar, onaangenaam, vulgair). Als de hevigheid toeneemt, worden de trekken helemaal kladwerk, de vormen doorstreept, geweld aangedaan, doorkruist, onleesbaar en ze wekken de indruk van algehele vermenging (soms van een draaikolk). Op verschillende ogenblikken (…) zie je parallellen verschijnen als onder golven van verademing (soms zacht naar binnen gebogen en ongewoon herhaald), lijnen van spiritualiteit, van bijval (…). De enige gemeenschappelijke elementen van heel wat tekeningen gemaakt onder invloed van mescaline, LSD of in de schizofrenie: de parallelle trekken en de stereotypie. (..) Geheel verschillend zijn de tekeningen van schizofrenen. Zij drukken uit: Stroefheid, Onbuigzaamheid, Onbeweeglijkheid. Geleid evenzeer als getekend. Zonder decoratief te zijn, gemaakt uit decoratieve elementen, met eentonige, gestereotypeerde versieringen, van een ‘morbide meetkundigheid’. Lijnen aangebracht zonder elan, eentonig, pijnlijk desolaat, leven en tijd stopgezet. Trage zeldzame of afwezige bewegingen. De tekening van de ware stompzinnige of schizofreen is er een van geslotenheid en halt. Vaak vertolken ze: ‘Ik ben alleen. Ik leef niet meer. Nu is alles gedaan. Voor mij is de wereld stopgezet’. Ze beelden het organisch mopperen uit van degene die niet langer met de anderen opstapt, met de gevoelens, de menselijke bewogenheid, de elans. Met de tijd zelf”.

[In een voetnoot merkt Michaux op dat leken die gekken ontmoeten, vaak getroffen worden door het gebrek aan talent voor het innerlijk leven – bij de schizofreen – zoals de grootheidswaanzinnige weinig talent heeft voor grootheden. En hij besluit:]

“Bij elke vorm van waanzin, om het even waarvan die het gevolg is, hoort steeds een vorm van mentale koorts”.

Nou goed, wat geldt voor tekeningen, hoeft daarom nog niet voor de taal. Zullen de volhouders opwerpen. Het zou te gemakkelijk zijn. Dan maar terug naar Wenen, bij dr. Freud, en die passage uit punt 1 over de mens en zijn beeld, en hoe dr. Lacan daarin de taal werkzaam weet. Hoe komt Lacan daar bij? Het beeld waarmee elk mens zich in eerste instantie identificeert, is het spiegelbeeld. Een speculatieve identificatie, waarvan alle latere vormen afleidingen zijn. Elke identificatie is bijaldien imaginair: ver-spiegel-beelding, en begoocheling.

Iets dergelijks doet zich voor bij het spreken, en in mindere mate bij het schrijven. “C’est le monde des mots qui crée le monde des choses“, aldus Lacan. Bij de woorden die we uitspreken, beelden we ons iets in wat we (nog) niet zijn. Of die woorden nu ik, mij, jij of zij, of andere zijn. Of wanneer iemand ons zegt: “Jij bent eigenlijk….”. Bij elk van dit soort uitspraken ervaren we gemengde gevoelens: vreugde om wat we kunnen worden en tegelijk teleurstelling om wat we nog maar zijn. Welnu, de gek kent niet dergelijke gemengde gevoelens. Hij schijnt het allemaal wel te weten, want hij verlangt er niet naar wie of wat dan ook te worden. Hij is voorgoed zichzelf: onbeweeglijk, stroef.

Als we dit gegeven nader willen uitleggen, kan dit aan de hand van wat Lacan de imaginaire en de symbolische orde noemt. In de eerste overheerst de in-beelding, de identificatie met het beeld, met een gebrek aan gemengde gevoelens, en een overvloed aan verwarde gevoelens. De overgang tussen de gevoelens verloopt bruusk: teleurstelling is al vaak woede, en vreugde is van korte duur. Het eerste gevoel overheerst, kwaadgeks. Wanneer we de vreugde echter weten overheersen, dan zijn we er: goedgeks. Dat is de motor van de dichter, en tenslotte van elk mens. Dan kunnen we pas de symbolische orde betreden.

 

 

  1. “How glad can we get?”

 

Eerst een overstapje met een gedicht, uit de cyclus ‘Ik had het geweten doorboord, de nerven doorkerfd’, die ik eind 1985 schreef:

 

De trap ligt en stijgt hangt en daalt

breeduit onder de roodloper vast

roe voor roe stapt alles en nog wat

aan zijn eigen tijd voorbij en of hij het haalt

 

vuurkool gezicht bladwit onderstreept

het heeft zijn tijd geduurd hoogovennodig

om gestalte aan te nemen potloodkegelvormig

weg van onder naar boven ligt ondermijnd

de knepen van het bekken leden gaan hun gang

kantel stapvoets driest en dartel rap

randen wijzen tekst terecht gevecht duurt lang

wie korter wil hij neme de brandtrap ter hand.

 

Elke letterkunde die zichzelf eerbiedigt, kent inwijdingen. De Voodoo in Haïti of de psychoanalyse bij ons. De allereerste inwijding is voor alle culturen gelijk: de inwijding in de (moeder)taal, de symbolische orde. De overgang van de imaginaire naar de symbolische orde vergt tijd en is nooit definitief. Steeds loert de verleiding tot regressie. In de inwijding krijg je in een notendop te zien, horen, enz. wat er op elke trede van de trap te beleven valt. In de taal bestaat dus de kwaadgekke val van de inbeelding. Aan dit kwaad valt pas te ontsnappen door de taal als symbool te onderkennen: spel van betekenaars waarvan het betekende ons keer op keer ontglipt.

 

Met taal wordt niet bedoeld een zakje letters waarmee we woorden scrabbelen, bijeenscharrelen. Het spel van betekenaars is geen gegrabbel om de meest waardevolle woorden met Haagse klemtoon op de duurste plaatsen te leggen. Taal spreken is zinnen vormen. Zelfs met twee woorden: “mag niet”, spreekt een kleuter een zin uit, waarvan een deel ‘sous-entendu’ is, bijvoorbeeld in bed plassen.

 

In zijn inbeelding stelt het kind zich voor als het voorwerp van verlangen van de moeder (phallus). Om tot de symbolische orde te kunnen overgaan, dient het kind af te zien van dit verlangen en te aanvaarden dat het de naam van de vader draagt, dit is staat voor een ander. De gek nu verwerpt kwaadschiks de naam van de vader en zweert bij de phallus van de moeder die hij waant te zijn. De ander ziet af van het ingebeelde alleenrecht op de moeder en aanvaardt de scheiding. Er is iets wat hij niet meer is (phallus) en dat wat hij nog worden kan: zoon of dochter van de vader. Eenmaal dit ‘achter de rug’, ontdekt het kind stilaan de regels van de symbolische orde: de spraakkunst. Dat is de eerste trede.

Bij elke trede hogerop komt een nieuw scheidingsproces voor, maar wie de eerste haalde, heeft er al minder moeite mee. Wat doet nu de dichter? In het beste geval probeert hij zich de eindbestemming van de trap voor te stellen (de dood). Minor poets do it slowly. Trap voor trap. De meer gedrevene, wie korter wil neme de brandtrap ter hand. Hoe doet de dichter dat? Op deze vraag werden reeds tientallen meters boeken geschreven. Octavio Paz’ De boog en de lier (Meulenhoff 1984) is wel het meest genuanceerde dat ik tot nu toe onder ogen heb gehad. Ik geef het hier uiterst beknopt weer.

In een roes van pakweg vreugde begint hij te zingen: de spraakkunst verheven tot lyriek, waar alweer andere regels gelden. De dichter negeert daarbij geenszins de regels van de spraakkunst: hij breidt ze uit of buigt ze om. Wie lyriek bedrijft, is doorgaans meer bedreven in de spraakkunst maar heeft niet het ongemak van de doorsnee-taalgebruiker, die schrik heeft zich in de taal te verwarren.

 

Neem nu twee illustere voorbeelden: Von Beethoven en James Joyce. De spraakkundigen ruziën om de nationaliteit van de eerste, terwijl de tweede de eerste tot de Ierse nationaliteit verheft; kwestie van Joy(ce), die op twee centimeter boven de spraakverwarring toeslaat. Of met Erasmus zou je kunnen stellen dat wie schrik heeft van de verwarring, niet rijp is voor de lof der zotheid.

En zo komen we uit bij het thema dat ik hier wilde behandelen. Sinds Erasmus heeft de volksmond de zotheid verloren, zo lijkt het wel, als je hem de dichter voor gek hoort uitmaken. Na dit essay lijkt de strijd wel voorgoed beslecht. In werkelijkheid beseft de dichter meer dan de volksmond hoe broos de grens is tussen goed- en kwaadgeks. Het volk kent geen onderscheid ter zake tussen goed en kwaad en beseft in de verste verte niet hoe moeilijk de dichter het heeft om zichzelf, en met zichzelf de hele mensheid, twee centimeter of meer te verheffen. Met welke kwade of goede bedoeling zou wie dan ook hem uitschelden voor gek, heks of moeilijk?

En om te besluiten een zang:

 

“Toute analogie est une amorce de rêve”

(Henri Michaux)

 

hoe het ook komt                   het ook komen mag

we gaan er overeen               meer heen dan weer

in den beginne                       aanloopjes nemen

tot we heengegaan                er weer op terugkomen

 

Zo gaat het op de vraag        hoe gaat het    in

Op de graat na zuiver                        en de voet

tenen uiteen    waaiert ons aan          zeg

niet te gek       als je nog kleeft aan woorden

die je voor veel waar neemt en meent

stof uit de ogen wrijft zich tot antwoord

grondstof zakt onder de voeten weg

spring erop in ten voeten uit antwoord.

 

(op deze foto: Henri Michaux)

henri michaux

Advertenties