De geheimen van de tuinman ontsluierd (Les secrets du jardinier dévoilés )


  1. We moeten dan wel onze tuin kweken,

Candide, het einde voor jou,

een begin voor anderen.

.

Voltaire werd er beroemd mee.

Hij hoefde niet te zwijgen.

Ik heb jaren gezwegen

en mijn tuin gekweekt.

.

Een geheime tuin

die ik nu open,

einde en begin.

.

2. Kennen wij het pad

dat leidt naar de zwarte roos

in duistere nacht,

in het maanlicht?

We sloegen een weg in

die geurde naar jasmijn,

aroma van avondthee.

.

Voor de dag

zich liet doorboren

door de nacht

.

in het maanlicht.

.

3. De roos mocht dan al

met geweld zijn overgeplant,

ik vond het pad terug

en bracht haar mest.

.

Ze werd uitgerukt

en sloeg zwart uit.

.

Ik werd van ’t zwart bevangen.

Tegen heug en meug verloor ik

het rozenperk. De doornen

hadden me gestoken.

.

Alle wegen leiden naar Ergens,

behalve naar Rome of Parijs,

het aroma van jasmijn

of het paradijs.

.

4. Ik zocht een andere wereld op

geen ander leven viel me te beurt,

ik vond opnieuw rozengeur.

.

Naarmate de maanden

de jaren vorderden

gaf het perk leven

aan nog een zwarte roos.

.

Ik ben in die wereld gebleven,

kweekte mijn rozenperk voort,

rukte de zwarte roos weg,

gaf mest aan de grond

en

er groeide een gele roos, een ander leven.

.

5. Moeten we lachen, zullen we huilen

en wat als we – ja! – in schoonheid eindigen?

.

De tijden zijn er niet naar, nare tijden

met verschrikkelijke nieuwtjes,

verwarring, verveling, opschudding.

.

En zie, soms loop ik dan

en struikel in tegentijd heel even

.

met tenor sax en contrabas

mee tot

hemel en tuin elkaar omarmen.

 

Open brief aan Mevrouw Ursula Von der Leyen, voorzitter


Geachte mevrouw,.

Sinds vandaag gaat iedereen weer met mij mee, op de klok dan. Het onzinnige zomeruur zit er weer op; hopelijk voorgoed. Dat klokkenspel is een Europese aangelegenheid; de vorige commissie van de Unie heeft de vraag ‘hoelang dat spel nog moet duren’ van zich afgeschoven naar de lidstaten toe. Een laffe daad, voorwaar.

Ik ben altijd een hevige tegenstander geweest van het zogenaamde zomeruur, het gaat namelijk om niets anders dan bij regelgeving georganiseerde diefstal. Om van bendevorming maar te zwijgen. Overigens ben ik in de zomerperiode nooit een uur vroeger opgestaan; het moet menselijk blijven. Een half uur vond ik al meer dan genoeg.

Na mij is nu de Belgische bouwsector uit de kast gekomen als tegenstander van het zomeruur, als voorstander dus van het eigenlijke uur dat geen winteruur is maar het gewone uur.

Om 1 & ander kracht bij te zetten, heb ik volgende formule ontworpen:

  1. tijd is geld
  2. een uur is een uur en kost geld (het bedrag wordt later ingevuld)
  3. we tellen alle uren op die we door de jaren heen verloren geraakt zijn
  4. we zetten die gestolen tijd om in geld en
  5. eisen van de Unie dat ze die tijd terugbetaalt. Aan elk van ons.

Geef toe, de Unie overleeft zoiets niet.

Dus, afschaffen die diefstal.

Met de nodige hoogachting,

Open brief aan de heer Georges-Louis Bouchez, voorzitter, niet slager


 

Geachte heer, mijnheer de voorzitter,

U bent nog te jong om in de politiek iets te betekenen, daarom doet u gewichtig. Dat zal wel evolueren met de leeftijd en de ervaring. Als het van u zou afhangen krijgen we u tweemaal daags te horen en te zien in de media. Een boerenwijsheid zegt dan dat u nog niet veel werk hebt. Nietwaar?

Deze brief echter gaat over een van uw uitspraken tijdens een van die vele optredens. Ik houd niet bij wanneer of waar u dat gezegd hebt, uw persattaché kan dat wel voor u opzoeken. U zei toen dat de PVDA en het Vals Behang extremistische partijen zijn. Ach, als u wat ervaring zou opdoen, zou u zien dat het met de PVDA nogal meevalt. Het zijn communisten, geen extremisten.

Het Vals Behang mag dan best extremist zijn, daarin schuilt geen gevaar. Het Behang wil de democratie afschaffen. Denk aan Erdodo in Turkije, Poetin in Rusland, Trump elders, die pipo in Wit-Rusland, de Grote Leider van Peking, enzovoort, allemaal lieden die de democratie willen afschaffen, hebben afgeschaft of niet hebben toegelaten. Zijn deze dictatoren extremisten?

Ik leg u de vraag gewoon voor. Denk er eens vijf tot wel zes minuten over na. Of vraag iemand raad.

Met hoogachting,

Niet alleen geluk kent zijn bron (9)


Heen

De aanleiding van deze reis, 1998, ligt bij het Koninkrijk België, misschien wel in geheim overleg met het Koninkrijk Marokko. Sinds begin de jaren ’80 reist mijn gastheer, AD, vaak, haast jaarlijks, naar België. In 1996 was hij met vrouw en kinderen gekomen. Het jaar daarop kreeg hij geen uitreisvisum. Naar verluidt om bepaalde redenen, die niet nader bepaald werden. Het Consulaat in Casablanca heeft nooit een antwoord geschreven om een reden op te geven. Dit jaar zag het er weer naar uit dat hij zou bot vangen. Ik sta borg voor hem en zijn gezin. Aan de telefoon had een ambtenaar in Casablanca me verzekerd dat de aanvraag snel en ter plaatse zou worden afgehandeld. Tien dagen na dat telefoongesprek bleek het hele dossier naar de vergeetput van de dienst Vreemdelingenzaken in Brussel verstuurd. Het was net te laat om het dossier uit het diplomatieke valies te lichten. Vanuit België probeerde ik de zaak recht te zetten of te laten zetten. Het resultaat was mager. Zelfs de reden voor de weigering in 1997 kwam er niet. Zodoende vertrok ik naar Marokko.

Zelfs wie vertrouwd is met water, een doorwinterde zwemmer bijvoorbeeld, zal nog met ingehouden adem in een zwembad springen waarvan de kleur van het water bijvoorbeeld niet strookt met de kleur die hij kent. Of waarvan de temperatuur beduidend hoger of lager is dan wat hij gewend is. Zo doemde de havenstad op, omarmde hem en nam hem op in een bonte verkeersstroom die een Brusselaar, een Parijzenaar of een Amsterdammer zelfs niet op carnaval te zien en te verwerken krijgt. Paard en kar, snorfiets, fiets, voetganger, bus, taxi en auto wemelden door elkaar op straat. Als geoefend chauffeur van de metropool – hij werkte in de ene en woonde in de ander – stond hij verstomd. Met de blik op oneindig probeerde hij zich een weg te banen, de andere wagen te volgen. Het raasde niet langer in zijn hoofd maar om hem heen. De doolhof was vlees en metaal geworden, geluid ook en een niet aflatende verkeersstroom. De droom was waar geworden en bleek stouter te zijn dan hij ooit had durven denken. Het wemelt in de stad van bonte rijders. Ergens daarin wachtte in die mengelsmeltkroes, die chaos, die vraag:

Op het puntje van de tong kun je niet staan, wel liggen. Op de oevers van de zee het strand te zijn maar ben ik nu gestrand? Vanwaar is hij hier beland en welk land zal hij me doen bezeilen? Landerig, al te landerig.

Het Consulaat-generaal van het Koninkrijk België was gevestigd in een grote villa. Je moet een hele rij trappen op om er binnen te geraken en een goede smoes bedenken, want voor een reisvisum gaat de deur niet open. De smoes is goed, doet het en de Consul ontvangt ons, hoewel hij er geen zaken mee heeft. Op zijn computer haalt hij de reden tot weigering in 1997 boven. Die blijkt bij berekening niet te kloppen. Ik weet uiteraard wel iets beter, maar het ontgaat me toch nog even. Hij vraagt ons terug in de hall te gaan, terwijl hij de jongste aanvraag onderzoekt. Na twintig minuten deelt hij ons mee dat alles in orde is.

Waarom werd de aanvraag dan toch naar Brussel verstuurd? En of het dossier daar dan vlug kan worden behandeld?

Als je in Brussel of in België iemand kent, probeer het dan via die persoon, antwoordt hij. Terug naar Beni Mellal. Naar België getelefoneerd: er is (nog) geen dossier in Brussel beland.

Vijf dagen later, het is 23 juli, rijden we terug naar de kust. Tweehonderd kilometer, tweeëneenhalf uur rijden. Ditmaal kloppen we aan bij de verantwoordelijke ambtenaar, de vice-consul. Als hij me vraagt of ik in Marokko woon, antwoord ik dat ik in België woon en helemaal naar Marokko ben gekomen omdat hier een probleem is. ’s Namiddags staan de reisvisa in de paspoorten.

L’aigle et le serpent se convoitisent, comment

les marier? Comment lever cette convoitise?

 Arend en slang benijden elkaar, hoe ze

aan elkaar koppelen? Hoe deze nijd opheffen?

Met de visa in de reispassen waren vreugde en dankbaarheid mijn deel. Doch in dezelfde mate wordt het tijd de terugreis aan te vatten. Ik wil niet afgepeigerd thuiskomen en ’s anderendaags naar kantoor gaan. Ik mag echter zo’n haast niet lopen. Eerst Marrakesh zien en dan gaan. In al die jaren dat ik naar Marokko ben gegaan, bleef deze parel aan ’s lands kroon me ontglippen. In de Midden-Atlas had ik een stad bezocht, Azilaal. Ik had in dat gebergte gezwommen onder een waterval. Fez had ik bezocht, Meknes, Ifrane, het skioord in de Noordelijke Atlas, Rabat en Casablanca. En nu dus Marrakesh, eindelijk.

We vertrekken kort na de middag, na het middagmaal: AD, Abdelkadar en ik. Abdel is net als A leraar maar bovenal zijn trouwe jeugdvriend. Later zou hij schoolhoofd worden in Marrakesh. We rijden langs bij A’ neef, Hamadi. Ook hij is leraar, wiskunde nog wel. Ik heb als enig wapen een compacte fotocamera van Japanse makelij bij en schiet het eerste beeld: uitzicht op de straat in Beni Mellal vanuit de stoep voor het huis van Hamadi. Alle drie mijn reisgenoten zijn schakers, schaken is een denksport die in Marokko veel voorkomt, net als kruiswoordraadsels invullen. Vandaag echter vallen we uit deze dagelijkse bezigheden en word ik even toerist.

Nu ligt de Midden-Atlas links van ons, de vlakte rechts. Omdat Hamadi zijn middagmaal gemist heeft, stoppen we na 45 km in een dorp. Hij eet iets, wij laven onze dorst. Het is snikheet. Voorbij het dorp wordt de vlakte pas vlak. Ineens staan er geen bomen meer langs de weg, het lijkt de woestijn maar het is grond, geen zand. Er staan langs de weg wel enkele dromedarissen en ik stel voor een foto te maken. Aziz stelt voor dat ik op de rug van de kameel met één bult ga zitten, bedingt een prijs bij de hoeder en even later zit ik, schiet de camera en rijden we weer voort. En dan wordt het waar: voor het eerst zie ik een karavaan voorbijtrekken, kamelen en/of mehari’s, tegen de kim. Voor minder staat de tijd niet stil. Nu ik toch even de toerist uithang, kan deze cliché er bij maar ik schiet geen foto.

e rijden door een mooie stad met brede lanen. Deze stad werd een tiental jaar geleden uit het niets gebouwd. Opvallend is dat de architectuur traditioneel is. In Marokko staan weinig moderne gebouwen, en die weinige dragen de stempel van Le Corbusier, of toch van zijn school. En dan, eindelijk, zijn we er: Marrakesh.

De obligate toeristische attracties doen we eerst, slangenbezweerders, muzikanten, waterdragers, een heel plein vol, een hele reeks foto’s.

Daarna gaan we winkelen. De babouches aan mijn voeten die ik draag terwijl ik dit schrijf, heb ik daar toen gekocht. We eten een stuk wild. In een van de winkelsteegjes, in de deur van een winkel, staat een Touareg: blauwe tulband met daaronder scherpe arendsogen. Dat het bestaat!

We blijven tot na zonsondergang wandelen, bezoeken de oudste moskee van het land en sluiten af op een dakterras van een restaurant.

Niet alleen geluk kent zijn bron (8)


Leven is minder een vooruitgang, van A naar Z, dan wel een ommegang. Het draaide die jaren rond mezelf en bracht verdieping. Inkeerkring. Die ommegang bleek rond, toen ik, jawel, in de Ommeganckstraat kennis maakte met leden van de Marokkaanse gemeenschap. Met enkelen van hen trok ik naar hun land.

Even voor vier uur ’s morgens bereikten ze de haven en om zes uur scheepten ze in. Voor twee derde zat de reis erop, en ze konden een paar uur verpozen op de boot. De dromer was moe maar nu het doel van de reis naderde, gunde hij zich geen echte rust. Toch zouden ze een dag verpozen alvorens de laatste etappe aan te vatten. Nu stond hij op het dek en zag de zon opgaan. Het was in dit prille ochtendgloren dat hij het andere werelddeel voor het eerst ontwaarde, en hij werd stil, heel stil.

Het eerste zicht komt nader bij zons-

opgang en de boot beeft. Van de ene berg

naar de ander vergist het water zich

in de doop niet. Reeds tobben de wegen af.

 

Er is geen land waar je makkelijker mensen ontmoet. Veel tijd bracht ik door in salons of in koffiehuizen. Ik zocht niet per se naar soortgenoten, schrijvers dus. Maar kijk, mijn gastheer, is schrijver, meer zelfs, dichter. En van de ene kwamen de andere in zijn huis of elders. Niet veel, een drietal tenslotte: mijn gastheer dus, Mokhtar en Mohammed B. Als ik begin bij de laatste, tref ik een erudiet aan. Hij heeft aan de Sorbonne gestudeerd te Parijs. In tegenstelling tot vele van zijn volksgenoten, bleef hij niet in Europa. Hij keerde terug om te gedijen in het Arabisch, in het woestijnzand. Mohammed is een aangenaam gesprekspartner. Hij luistert evengoed naar wat de ander zegt als naar wat hij zelf zegt. Bovenal incarneert hij de Arabische letterkunde in combinatie met de zoektocht naar de oorsprong. De stilte die hij schrijft is niet eigen aan de Westerse of de Arabische letterkunde, maar aan het Verre Oosten. Voorbij die stilte ontstaat zijn poëzie.

Mokhtar is Nietzscheaans en zeer bedreven in taalkunde. Hij is de stille: weinig woorden, maar wel eenvoudig en tragisch. Hij dubt meer dan hij schrijft. Hij is het die mijn gastheer heeft ingewijd in taal- en letterkunde.

Deze laatste dan is net als de twee andere Westers gericht en tegelijk uitgesproken een Arabier, fier en niet klein te krijgen. Leraar Arabisch, heeft hij voornamelijk door zelfstudie kennis genomen van de westerse wetenschappen, wijsbegeerte en letterkunde.

Juli 1998. Ik had mijn gastheer gevraagd Mokhtar op te zoeken. Dat doen we zeker, zei hij. Mokhtar is verhuisd en woont 60 kilometer noord oostwaarts van Beni Mellal, in de richting van Fez (Beni Mellal ligt aan de voet van de Midden-Atlas, halverwege tussen Fez en Marrakesh). Vandaag besluiten we te gaan. Eerst belt hij Mohammed op om het triumviraat te vervolledigen. Het is snikheet en er hangt wat in de lucht. De tocht lijdt er niet onder want we zijn samen. Dat is wat telt. Links van ons strekt de vlakte zich uit in oker en groen. Rechts de bergen van de Midden-Atlas. Boven ons de zon. Het is vijf uur, zonnetijd. We laten Tadla links liggen. Vroeger ben ik hier meer geweest. Tadla was onder het Franse kolonialisme beheerst door een communistisch generaal. Nu nog luisteren veel inwoners naar wereldzenders op de radio. Toen zoveel jaren geleden een coup gepleegd werd tegen Gorbatsjov, was ik in Beni Mellal. Het nieuws bereikte ons via Saïd, die net uit Tadla kwam.

Dertig kilometer verder komen we aan, in zijn stad, Mokhtar. Hij heeft geen telefoon en is dan ook verrast als ik aanklop. Het weerzien is hartelijk, het gesprek karig, wat somber. Hij mokt niet maar zegt dat hij van mijn gastheer mijn vraag heeft gekregen naar teksten voor het tijdschrift Brutaal. Schrijft hij nog wel? Het blijft in het midden. We verlaten zijn appartement en trekken naar een café, gaan zitten op het terras. Mokhtar belooft te schrijven. Later vertrouwt Mohammed me toe dat Mokhtar het moeilijk heeft. Hij port hem echter aan: hij heeft een eigen ruimte, een eigen inkomen – karig, en leeft alleen, ideaal om te schrijven.

Op de terugweg zakt de zon, rood, vlak voor ons, boven Tadla.

{De eerste keer was de weg eentonig lang en smal, vol gevaren. Vrachtwagens inhalen was een hele klus op zo’n tweebaansweg. Het landschap bood echter voldoende afleiding om zijn humeur niet te bederven: lichte heuvels, bossen, zandvlakten, zeezoutwinningen,…   Oker was de overheersende kleur, groen die van de bomen, blauw de lucht en de zee. Het weer was warm en vochtig. Op de autoradio vond hij een uitzending in het Frans, maar luisteren deed hij amper. Het duurde enkele uren voor ze een bredere weg bereden, in de buurt van de hoofdstad.   Nog een goed uur rijden en ze zouden halt houden in de havenstad.}

Beni Mellal

 

Niet alleen geluk kent zijn bron (7)


 

4.    Verbindingen, associaties, lijnen

Verleidelijk lijkt het wel: er zijn mensen die hoog in hun stamboom klimmen om lijnen te trekken naar het verleden, hun verleden. Naar analogie zou ik de verbindingen die me toegevallen zijn in de loop der tijd, tot lijnen kunnen herleiden, tot een familie, en aan de vruchten kent men de boom; vind maar de juiste tak waar de vrucht van gevallen is. Goed dan. Als de vrucht degene is die ik geworden ben in termen van programmatuur, niet in termen van apparatuur, die laatste behoort tot de genealogie, hoe zou ik van de tak op de tak springen, waar zou ik trouwens beginnen? Kan het tijdsverloop een aanzet geven?

De opgave is zo immens dat het me duizelt. Eerst kwam de “moeder”, een danseres, die het besturingssysteem hielp bijsturen. Na acht jaar heb ik de streng doorgeknipt. Toen kwam de “vader”, een schilder en schrijver. Met hem hou ik nog contact – oogcontact, heel soms, telefonisch, per brief al dan niet elektronisch verstuurd. Er zijn echter ook merkwaardige zijtakken, het gevolg van zijsprongen met onverwachte verbindingen.

Tussen 1990 en 1998 ben ik zes maal naar Marokko gegaan. In 1993 wilde ik hiervan een uitbundig en -voerig verhaal brengen, maar dat lukte niet. Fragmenten eruit komen hier en daar nog wel voor in deze. Het is zeker niet als toerist dat ik er gegaan ben, zo blijke uit dit boek.

Mijn jongste reis bracht me bij dat er, met die reis, een cirkel rond was. Het werd dus tijd om een balans op te maken. Ik werk niet zomaar in een boekhoudkundige instelling en bovendien ben ik inmiddels 45 jaar geworden.

 In de jaren ’80 legde ik de kringen naar binnen. Zelfonderzoek en -ontwikkeling voerden toen de hoofdtoon.

Hoe wordt een persoon getekend? Hoe tekent hij zich als dusdanig op? Hoe komt hij daartoe? Waar haalt hij het uit, vandaan?

Tekenend voor een schilder is dat hij volstaat met enkele rake trekken. De bezoeker was al deels bevrijd door het optreden des persoon in de schilder die hem vroeg: ‘Vertel me, wie ben je?’.

‘Ik ben dichter’. Dat hij had leren lezen en schrijven tot op de hogeschool, maar dichter gebleven was. Dat hij had leren dansen, er dusdoende de versvoet goed onder de knie gekregen had, en er ook door getekend werd. En dat hij dat zomaar spontaan durfde te bekennen. De man die de vraag gesteld had, knipperde even met zijn ogen, werd stil en sprak: ‘Je bent staatsgevaarlijk’.

Dat klopte, ik was op staande voet ontslagen uit staatsdienst, zonder enige reden en was daarover nog altijd woedend want gekwetst. Hoe kon die man, die me nauwelijks kende, zo diep in mijn ziel kijken? We zijn samen enkele jaren opgetrokken, hebben een Europese kunstkring opgericht, we noemden die de ‘Ombuiging’ vzw. Toen we voldoende werk hadden geleverd, pleegde ik een telefoon naar Brussel, waar men bleek op mij te zitten wachten. ‘Wat denk je ervan om vertaler te worden?’ Ik had in die tussentijd naast de Ombuiging, gedichten van Stéphane Mallarmé proberen te vertalen. Dus was mijn antwoord volmondig ja. Ik trok naar Brussel, tekende een arbeidsovereenkomst met de Staat en trok te voet naar het atelier van Serge Largot, die toen in Sint-Joost zat, op wandelafstand. Hij ontving me zoals steeds en viel toen met de deur in huis: ‘Weet je, Marc, onze samenwerking zit er eigenlijk op. Het wordt tijd dat je terugkeert vanwaar je gekomen bent’. ‘Daar kom ik nu net van, ik begin opnieuw volgende week’. ‘Sophie, zet voor ons eens een stevige pot koffie’. Er volgde een debriefing…

Niet alleen geluk kent zijn bron (6)


Op een dag kreeg ik het, tegen de gewoonte in van zijn uitgeverij, gedaan een afspraak te maken met Rein Bloem, in Amsterdam. Hij heeft nogal wat dichters vertaald, Joyce, Mallarmé, later Wallace Stevens, ook zelf gedichten geschreven. Deze man moet een enorme antenne hebben. Bij een eerste aanblik van mij en mijn gedichten, plaatste hij die laatste in een traditie, waarin uiteraard ook weer Paul van Ostaijen opduikt. Bovenal gaf hij me een (levens)opdracht mee: het is best noodzakelijk de taal uiteen te halen, maar wat doe je met de stukken?

Korte tijd later debuteerde ik op de radio, kwam er een bundel en stopte ik met schrijven.

3.    Zelf in stukken – wederopbouw

Gestrand en met mijn ziel in stukken belandde ik bij Baudouin, vriend sinds jaren en dichtste toeverlaat. Hij had het verwacht dat ik op een dag op die manier bij hem zou belanden. Immers, ik was niet meer toe aan datgene waarvoor ik op de wereld was. Aldus sprak Baudouin en het troostte me, verlichtte me. Meteen gaf hij me een link om mee te werken aan een beeldend project. Zo schreef ik “Rondoods”. Dat zegt genoeg. Ik verhuisde naar Brussel, reisde er rond mijn kamer, verhuisde verder naar Antwerpen, nog steeds in stukken. Die reis rond mijn kamer was niet meer geweest dan een aanzet tot wederopbouw: ik overzag en inventariseerde de stukken, maar vond geen plan, geen wederopbouwplan. Dra zou ik een architect ontmoeten, via zijn zoons, de schilder en schrijver Serge Largot. Hij lichtte me door – ‘staatsgevaarlijk’ – zat er soms op, soms er naast, spaarde geen krachten om me met raad bij te staan. De beste raad gaf hij mee zonder veel commentaar. Op een dag gaf hij me een tweetal boeken mee, om te lezen of gewoon in huis te hebben, twee weken, niet langer. Een ging over het plantenrijk volgens Goethe, het ander over kunst en schepping. Ik las dit laatste en wist het meteen. Veel van wat ik hier niet schrijf, is daarom belangrijk dat het onderhuids werkt. Ik breng het niet zozeer aan de oppervlakte, als wel in de praktijk. Nee, geen betoog meer.

Van toen af kon ik met Serge zeer goed praten, wat wij deden in het taaltje dat we schreven, en waarnaar we beiden onze kunstenaarsnaam hadden genoemd. Van toen af ging het me beter, niet zozeer voor de wind, dat was het soms, maar ik was niet langer voor een gat te vangen, had zowat mijn prioriteiten en daarmee mezelf vastgelegd, uitgestippeld. Het was grotendeels gebeurd via intuïtie, deze kennis die zich uit van de hak op de tak, hiphop, triphopsgewijs, die men verkeerdelijk vertaalt als gevoel en hooguit iets benadert als aanvoelen. Het veronderstelt antenne maar evengoed een grondstation, gekoppeld aan een goed geprogrammeerde verwerker. Zonder die wordt het flipflop. De wederopbouw begon, in mijn gedichten kreeg stilaan, uit de verbrokkeling, een wereld vorm.

Voor het overige zijn mensen nu eens klankbord, dan weer … tja, wat nog allemaal. En zal ik het hier allemaal uit de doeken doen? Verbindingen leggen, allicht wel. Hoe dan ook, er staat op deze bladzijden al flink wat op een rij, met dwarslijnen, het gaat om mijlpalen. De stoffering van de ruimte ertussen mag dan minimaal zijn, dit is om de aandacht niet af te leiden.

 

(op de foto’s hieronder Serge Largot en Rein Bloem, beiden zaliger)

Largot boven water gekomen in formaatrein bloem 2

Niet alleen geluk kent zijn bron (5)


De weg ernaar lag bezaaid met ondiepe valkuilen, wat voor mijn zwakke voeten veel verstuikingen en een ernstige breuk betekende. Ik leerde zelf fietsen en, op datzelfde eigen houtje, zwemmen. Zo ging ik beter vooruit. In mijn puberjaren begon ik verzen te schrijven. Mijn oudste broer, aan wie ik ze liet lezen, vroeg me of ik Paul van Ostaijen kende. Waarom zou ik Van Ostaijen moeten kennen? Hij zei me dat mijn gedichten leken op die van Van Ostaijen. Een dichter dus, die Paul. Wat een domper! Ik achtte me uniek. In de bibliotheek vond ik vier boekdelen, verzameld werk. Bleek dat de man al lang dood was, vroeg gestorven, en beter geschreven had dan ik. Dan ging ik maar anders schrijven, ik schreef tegen me in. In die tijd ‘betrapte’ mijn vader me op het schrijven van gedichten. Dit bleek hem ernstige zorgen te baren: dacht ik daarmee geld te verdienen, later, om de bakker mee te betalen? Zorgen voor later, vond ik, dat was toen van geen tel. Toen ik jaren later debuteerde op de radio, zat hij aan de knoppen om de uitzending op te nemen.

Het leven in een benepen provinciestad, waar mijn ouders naartoe waren verhuisd toen ik zes was, voedde romantiek. Ik liep te mijmeren op kerkhoven, die in die streek rijk bezaaid zijn. Het ligt er vol soldaten gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog ’s Nachts droomde ik dat ik te voet de weg aflegde van mijn geboortestad naar de stad waar ik sliep. Nooit bereikte ik mijn doel. Het waren geen nachtmerries. Zo makkelijk raakte men er niet weg. Eerst moest ik vallen en breken.

Die dag bestond de leraar het vijf minuten na het belsein door te gaan. Ik was behoorlijk gehaast en liep naar de fietsenstalling. Onderweg bleef een van mijn voeten steken in een gat, ik liep door, tot een forse pijnstoot me tegenhield. Ik strompelde naar mijn fiets, raakte door de pijn heen thuis, werd naar het ziekenhuis gebracht en kon er meteen blijven. Er kwam een operatie aan te pas en een straf gipsverband. Een week bleef ik er en verliet het ziekenhuis op krukken, met de vaste wil beter uit mijn voeten te raken. De remedie daartoe zocht ik niet via informatie (gedrukt papier, raadgevingen, internet was er nog niet). Ik volgde gewoon mijn intuïtie, wat ik toen noemde de gebeurtenissen die opdagen. Tijdens een week in de zomer volgde ik een cursus bedoeld om te leren omgaan met jongeren. Leiding geven was uit den boze, we leerden ze aanzetten tot eigen schepping, die drang in hen levendig te houden. In de herfst volgde dan een opvolgingsweekend in een stemmig kasteeltje. ’s Avonds was er een bijzondere gast, een danseres. Vanaf haar eerste beweging was ik in de ban. Acht jaar lang danste ik met haar en de haren. Aan den lijve ondervond ik de versvoet, maat, ritme, zoals ze opgeslagen sluimerden in mij, om ze te activeren, spontaan te uiten.

Tussendoor haalde ik ook nog een universitair diploma, het compromis met de normen van de samenleving, maar veel vond ik het niet. Slechts drie ‘denkers’ heb ik er tijdens mijn studies ontmoet, de rest waren na-denkers, in de zin van na-apen. Ik wilde uiteraard een proefschrift wijden aan kunst, begon eraan en werd, toen het voor twee derde klaar was, teruggefloten. Tenslotte, en in tweede zittijd, studeerde ik af op ‘Van methodologie van het onderzoek naar onderzoek van de methodologie’, meer bepaald op de theoretische kernfysica. En nee, ik had Finnegans Wake nog niet eens gelezen. De middelmaat, onder het mom van wetenschappelijkheid, had het alsnog gehaald. Ik ben uit het Instituut weggegaan met diploma en slaande deuren. Later ben ik er nog eens een minister gaan vertegenwoordigen, in pak en stropdas, met dienstauto en chauffeur. De middelmaat, ach, maathouden, zo had ik geleerd, niet aan de universiteit, nee, is goed om je denken te verliezen en hoger op te raken, in hogere sferen, bedoel ik, niet om mensen onder die maat te duwen. Macht, daar had je het al.

Maar er was toch al een resultaat, ik woonde op 150 km van dat vervloekte provincienest, had eindelijk mensen ontmoet bij wie mijn blik zich kon aansluiten en omgekeerd. Het woord was ook steen geworden en hoe maak je dat het vlees wordt? Ik hakte de woorden rustig stuk en zette de brokstukken op een rijtje, bouwde in twee of meer regels iets op dat ik daarna stuk maakte in een regel.

De kaas


Ze waren met hun drieën op weg gegaan, mannen onder elkaar. Philippe, Marcel en Bertrand. Ze hadden hun vrouwen in de stad achtergelaten. Ze hadden hen gezegd dat ze elkaar wilden treffen, dat een weekend zonder meisjes en zonder kinderen hen goed zou doen, dat ze de druk moesten van zich afleggen, dat ze elkaar moesten treffen, dat ze afmoesten van de stress van het moderne leven, dat hen enkel ernstig ziek kon maken. De vrouwen hadden uiteraard gevraagd waarom hun aanwezigheid hen zou storen. Deze vraag werd een hele avond lang besproken bij Philippe en Sandrine thuis. Ze waren net niet boos geworden. De mannen vormden blok, stonden zij aan zij, bleven solidair. Chantal, Marianne en Sandrine hadden tot slot de idee aanvaard dat “de jongens toe waren aan wat tijd voor hen alleen”.

De jongens hadden al lang een uiterst precies idee van het weekend dat ze samen wilden doorbrengen en het was dan ook snel geregeld. Twee weken na het gespannen avondje bij Philippe en Sandrine kwam Marcel met zijn Land Rover met lederen zetelbekleding eerst Bertrand en daarna Philippe ophalen. Hij nam de autoweg en weg waren ze zuidwaarts. Ze hadden de idee opgevat in Frankrijk een plek te vinden “waar de natuur ongerept en wild” was. Ze hadden veel discussie gevoerd op die gespannen avond bij Philippe en Sandrine over dat begrip “ongerept en wild”. Ze hadden het over de Vogezen, ze hadden het over de Périgord en het departement Alpes-Haute-Provence, maar geen enkele van die streken leek te passen. Tot slot en buiten elke verwachting was het Sandrine die de idee van de Pyreneeën opperde.

– ‘Ik heb op Ushaïa een reportage gezien. Het is er prachtig. Je kan er dagen lopen zonder iemand te zien.’

Bertrand was een gids gaan kopen. Ze keken die in en vonden iets wat leek overeen te komen met het idee van “herbronning”. Ze raakten het eens over een formule “trektocht – wild kamperen”. Ieder had van zijn kant truitjes klaargelegd en sokjes en stapschoentjes en picknickjes en spraken af op zaterdagmorgen.

Het was de auto van Marcel en dus zat Marcel aan het stuur. De Pyreneeën zijn ver dus was Marcel bekaf maar Marcel wou het stuur niet geven aan Philippe noch aan Bertrand. Overigens respecteerden Philippe en Bertrand volledig het feit dat je een Land Rover niet uitleent. Ze begrepen dat, ze zouden ook zo handelen.

Bij valavond kwamen ze aan in het dorp dat ze in de gids hadden gevonden. Ze brachten de nacht door in een vakantiehuisje dat uitgebaat werd door een vader en zijn dochter. Ze hadden een kamer voor hun drieën. Ze hadden wat gedronken. Marcel tapte moppen, Philippe gaf commentaar op de “tieten van het meisje”. Ze trapten lol, Bertrand liet een scheet, ze lachten nog meer, daarop liet Marcel een scheet, ze schoten opnieuw in een lach, ze hadden in lange tijd niet meer zo gelachen. Het leed geen twijfel: het was goed onder mannen te zijn.

’s Anderendaags besloten ze met de wagen tot op de bergtop te rijden en er een “basiskamp” op te slaan (de uitdrukking kwam van Marcel) van waaruit ze op trektocht konden gaan. Een eenvoudig plan, een kristalmooie dag, een Europees landschap uit de Middeleeuwen, een arend vloog voorbij tegen de hemel, het was een weer om te zeggen dat je idioot moet zijn om elders dan in de bergen te wonen.

– ‘Wat mooi!’ zei Bertrand heel terecht, terwijl de vierwiel aangedreven auto over het pad klom in de richting van de bergtop.

– ‘Het is echt mooi!’ corrigeerde Marcel hem en schakelde in derde versnelling.

– ‘Kijk, daar staat iemand te liften aan de kant van de weg,’ zei Philippe.

Iets verder, waar de weg een bocht maakte, stond iemand te liften.

– ‘Een Japanner!’ zei Marcel.

– ‘Ik wist niet dat die Japanners trektochten maakten,’ zei Bertrand.

Marcel hield halt naast de man en opende zijn raampje. Het gezicht van de Japanner glom van het zweet.

– ‘Zo, Bruce Lee, heb je pijn in de benen?’ flapte hij eruit en reed verder.

Geen twijfel, het was lachen met kerels onder elkaar.

Het duurde een goed uur voor ze de top bereikten. Het was echt te mooi. Ze bevonden zich op een plek die niet echt tot het hooggebergte behoort. Het was een reusachtig weiland, helgroen, met in het midden een turkoois blauw meer. Daar rond verrezen gletsjers waarop de zon schitterde als in een spiegel.

– ‘Het beste zouden we hier de namiddag en de nacht kunnen doorbrengen en morgen onze trektocht maken,’ stelde Bertrand voor die zijn zonnebril tegen ultraviolette stralen had opgezet.

De anderen keurden dit goed. Ze namen wat proviand uit de koffer van de Land Rover en gingen akkoord om te picknicken aan de oever van het meer. Bertrand installeerde de plooitafel en de stoelen. Philippe ontkurkte de wijn. Marcel sneed de worst en haalde een kaas boven waarover “men naar huis zou schrijven”. Het was goed, dat is zeker, om onder mannen te zijn. Wat waren ze goed af zonder vrouwen. Marcel hief zijn glas op de wilde natuur. Philippe ging nog een fles halen in de wagen.

– ‘Echte luxe,’ aldus Marcel, ‘is stilte.’

Net op dat ogenblik hoorden ze Philippe een kreet slaken en halsoverkop naar hen toe rennen tegen zeer hoge snelheid.

– ‘Een beer! Er zit een beer in de wagen.’

– ‘Wat?’ zei Marcel.

– ‘We hadden de koffer van de wagen opengelaten. Hij heeft de geur van het voedsel geroken. Toen ik er aan kwam had ik hem niet gezien. Hij heeft haast mijn arm afgerukt. Ik had net de tijd om de fles te nemen en de koffer te sluiten.’

– ‘Wil je soms zeggen dat je hem in de wagen hebt opgesloten?’ vroeg Marcel.

– ‘Maar ja,’ zei Philippe.

De drie mannen klommen de weg terug omhoog naar de terreinwagen. Waar ze nu stonden, konden ze de wagen zien schommelen. Toen ze wat dichter waren zagen ze het enorme duistere silhouet binnen heen en weer gaan. Een poot zo groot als een soepbord kleefde tegen een raam.

– ‘Shit!’ zei Marcel.

Bertrand krabde zijn kin.

– ‘Wat doen we daarmee? Als we nu de wagen openen lopen we gevaar dat hij ons hoofd afrukt.’

In de wagen vrat de beer de lederen hoofdsteunen aan.

– ‘Verdorie, verdorie,’ herhaalde Marcel.

– ‘Wat we nodig hebben is een afleiding, zoals in Jaws toen ..’ zei Philippe.

– ‘Kijk eens wie er aan komt,’ zei Bertrand net op dat ogenblik.

Uitgeput, waggelend kwam de Japanner op de top aan die ze enkele uren eerder op de weg waren tegengekomen.

– ‘Ik heb een idee,’ zei Marcel.

Daarop wendde hij zich tot de Japanner:

Hey, my friend! You’re a strong man. Do you like French wine?’

‘Yes, yes, French wine,’ antwoordde de Japanner.

Hij nam de Japanner bij de arm en nam hem mee naar de picknicktafel en gaf hem een groot glas Côtes du Rhône. Philippe en Bertrand kwamen eraan, ze hadden Marcels idee begrepen. Ze werden dus poeslief met de Japanner. Ze spraken met hem, stelden hem vragen: ‘Where are you from?’ ‘From Kobe, beautiful city … two children …. Leve de keizer…’

Toen zei Marcel:

‘Can you take another bottle of wine, please, my friend?’

De Japanner stond lichtjes waggelend recht.

‘Of course, of course, my friend.’

‘You will see, there is a big French dog in the car. Don’t be afraid.’

De drie mannen zagen hoe de Japanner dichter bij de wagen kwam.

– ‘Stakkerd,’ zei Bertrand toen hij de koffer ging openen.

– ‘Het was hij of wij,’ zei Marcel.

De koffer ging open, een grote bruine massa sprong eruit en stortte zich neer op de kleine man.

– ‘Binnen twee minuten is het afgelopen,’ zei Marcel.

– ‘Ik weet niet hoe jullie er over denken maar met dat alles heb ik geen zin meer in bergen,’ zei Philippe.

– ‘Ik ook niet. Laten we terugkeren naar de meisjes,’ zei Bertrand.

Iedereen ging akkoord.

Niet alleen geluk kent zijn bron (4)


 

2.    Het woord een bouwsteen

Hoewel wat ik hier schrijf, vlot geschreven is en gelezen kan worden, zal deze tekst niet beklijven. Ik vertel en bedenk, niet zomaar wat. Nee, precies wat is geschied. Misschien is het leuk, of belangwekkend. Om zo vlot te schrijven, volg ik de weg van de discursieve logica. Dit behoort niet tot mijn gewone doen als schrijver, ik volg meestal de weg van de associatie van de woorden, de analogica, het verbond dat woorden onderling maken, het verband dat ze zich leggen in de mond van mensen. Ik lul liever uit mijn nek, zoals dat heet. Als nek en lul pejoratief geladen zijn, dan is dat door de samenleving, niet door de lul en de nek. Pinksteren is het feest van het gelul uit de nek, de lullaby, het spreken in talen. Overigens is de lul geen schaamdeel maar een edel deel en de nek laat nogal vaak het achterste van de tong zien. Bovenal krijgen woorden die vloeien als zaad meer betekenis, ze zijn rijker, dan wanneer ze eenduidig volgens de logica op een rijtje komen te staan. Uit de nek geluld komen soms woorden die meer beklijven. Dit betoog begint me te vervelen.

Een essay schrijven is in zekere mate mogelijk met de lul vanuit de nek. Het is een nuttige poging – in het Frans: essai – om gedachten te laten spelen volgens eigengereide spelregels van de associatie, een geheim verbond. De schrijver kijkt toe, schrapt en vijlt hier en daar wat, maar niet te veel. Anders wordt het gekunsteld.

Zie hoe Montaigne het deed: van de vrije kunsten, zoals de menswetenschappen toen heetten, wilde hij nagaan hoe de kunst vrij kan maken. Kunst kan de wereld niet redden, maar schept wel mee aan de wereld en, in een zelfde beweging en gebaar, kan ze die schepper bevrijden. Ook ‘vrijen’ maakt vrij, los van ons beeld, tot op het bot, met de lul uit de ene en in de andere buik.

Macht daarentegen maakt niet vrij: zowel de machthebber als de onderhorige zijn gebonden. Als binnen een koppel een van beiden de bovenhand wil halen op de ander, is het zover: ze verbinden elkaar niet langer maar binden zich vast, binden in. Associatie is enkel mogelijk in vrijheid: het mag er soms naar uitzien dat er iets van betekenis aan de oppervlakte komt: wie zich echter daaraan vergrijpt, er naar grijpt, met man (of vrouw) en macht, grijpt ernaast. De vogel is gevlogen, de vis ontglipt.

Zijden draden, je kan er zoveel hebben dat je er een ketting kunt van maken. Was het dat wat Faverey te binnen schoot? Waren zijn vrije verzen tegengesteld aan zijn voeten, die gebonden lagen?

 Hoe hard ook de nek, een geoliede hand kan haar soepel maken. In het gevecht om de engel zijn geen wapens nodig. Toen ik een van de meest strijdbare engelenvechters ontmoette, is mij de stroom gaan versnellen. Vooraleer ik daartoe kwam, heb ik een hele weg afgelegd. Van die weg getuigen mijn gedichten. Enkele mijlpalen kan ik bij deze aangeven, ook al omdat ik (weer) bakens aan het uitzetten ben. Ik zou J., schilder, deze tekst willen opdragen. Tegelijk wil ik niet dat hij die meteen leest. Later. Ik weet ook nog niet wanneer ik deze tekst zal laten uitgeven. Later. (inmiddels is hij gestorven)

Als kind wilde ik op zoek naar de bron van de talen, van de taal. Daarbij stelde ik me een geografische plaats voor, meestal zuidoostwaarts op de aardbol. Het kind dat ik was, is geboren in wat veel later een multiculturele omgeving is gaan heten. Vader uit Nederland, grootvader langs moeders kant Fransman. Ik zag het levenslicht op een honderdtal meter van de Franse grens. Noem me gerust een grensgeval. Het valt wel mee, al is het moeilijk, zij het met de jaren makkelijker en makkelijker, vooral sinds begin de jaren 1990 de Europese binnengrenzen weggevallen zijn. In de hoofden van de mensen spoken ze nog wel, maar ik lach erom. En ook, wat makkelijk is, verveelt snel. Tussen drie talen groeide ik op: Nederlands, Frans en het lokale Bantoe (In Vlaanderen heeft het gemiddelde Bantoe bij benadering een actieradius van 25 km.). Komt daarbij dat ik nieuwsgierig was en nog steeds ben. Wilde ik daarom naar de bron van alle taal, van alle talen?

 

Niet alleen geluk kent zijn bron (3)


Weer lagen er echter kapers te loeren naar mijn kust. Weer kon ik gaan maar dra wist ik dat het enkel een overstap was, naar de minister van het Bedrijfsleven. Hij is net als ik de zoon van een emigrant, zijn vader een Oostenrijker, de mijne een Nederlander. Hij was onder hetzelfde gesternte geboren als het mijne. We lazen – gretig – nagenoeg dezelfde boeken. Toch deinsde hij tot twee maal toe terug voor mij, als bij reflex. (Wist hij toen wat er in hem omging?) Zijn bijnaam was ‘gevallen engel’. Herinnerde ik hem eraan hoe hij was vòòr zijn val, zijn knieval voor de macht? Ik heb zeven, bijna acht jaar in zijn dienst gewerkt, zonder noemenswaardige incidenten, vrij van intrige. Ik ben er uit eigen beweging weggegaan. Deze minister vormde een uitzondering op de machtsregel. Hij was niet uit op macht, al werd hem die soms toevertrouwd. Zo had hij de nare opdracht gekregen de regering ten val te brengen. Hij zag er erg tegenop maar heeft zijn opdracht volbracht.

Overigens had hij in het geheim de overgang naar de volgende regering voorbereid. Immers, die zomer nam hij geen vakantie en was als enige minister ‘stand by’ voor de regering. Naar ik vermoed is hij toen gaan praten met ‘Dieu’, de voorzitter van de PS, die net als hij bij de Jezuïeten had school gelopen. Ze zullen heel waarschijnlijk een deal gesloten hebben in die zin dat Dieu de fruitboer uit Luik die naar Voeren was getrokken om dat deel in te lijven bij Wallonië en dus te roven van Vlaanderen, zou neutraliseren. In ruil zou hij dan mogen toetreden met zijn partij tot de volgende regering. Inderdaad kwam er een regering zonder liberalen en met de socialisten en even later werd die fruitboer waar niemand echt happig op was, wandelen gestuurd naar Straatsburg. In de periode die voorafging aan de val van de regering, was er iets bijzonders aan de hand. Augustus vakantiemaand, september was dan rustig inlooptijd. Dat jaar niet. In september werden we bedolven onder het werk. De minister ging dan ook nog eens op werkbezoek naar Tokio en hield ergens een toespraak voor zijn vertrek. Ik mocht die snel vertalen. De minister bevond zich in de kamer aan de overkant van de gang, bij een collega genaamd Hans D’hondt, het latere hoofd van de FOD Financiën. Ik stapte binnen en vroeg hem beleefd hoe zijn vertaling bij hem zou belanden. De minister deinsde even terug, zei toen dat een chauffeur het hem zou brengen. Toen ik buitenging, hoorde ik hem zeggen tegen mijn collega: ‘Pourvu que ce dossier ne soit règlé avant que je ne revienne’ (Ik hoop dat dit dossier geregeld wordt voor ik terugkom). Welk dossier? Er was toen maar een netelig dossier bij de regering, dat van die fruitboer en de Voerstreek. Maar zo’n dossier raakt enkel geregeld met de ‘kern’ en de minister was ook vice-eerste minister dus lid van de kern en kon dat dossier niet geregeld worden zonder hem…. Tenzij hij het al geregeld had… Eenmaal terug uit Tokio, viel de regering drie dagen later.

Als dank kreeg hij het departement Financiën, waar ik hem gevolgd ben. Op slag zag hij er tien jaar ouder uit: dit departement werd toevertrouwd aan excellenties die naar het einde van hun loopbaan gaan. Hij was net vijftig geworden. Maar hij heeft zich herpakt en zich vastgebeten in de materie. Met deze man was het aangenaam werken. Gedreven door de plicht tot goed beheer, maakte hij weinig kapsones of protocol. Hij is twee regeerperiodes op dat departement gebleven, heeft nog een politieke opdracht vervuld – met minder tegenzin, en is toen aan het hoofd van een internationale financiële instelling benoemd. De man is op 69 jarige leeftijd overleden aan een ongeneeslijke longziekte.

Het moeilijkste als politiek medewerker is je visie niet uit het oog te verliezen, want je werkt in het oog van de storm actualiteit. Soms heeft het meer weg van dagjespolitiek. Macht is de ultieme en steeds vergeefse poging greep te krijgen op gebeurtenissen, mensenlevens, bedrijfsprocessen, geldstromen, en wat nog meer. Dat is tegengesteld aan mijn aard, ik die liever mijn handen openhoud op tijd, niet altijd, uit dank voor wat te beurt valt: een goed gedicht, liefde. Louter geluk. Macht draait vaak uit op ongeluk.

Philippe_Maystadt_Senate_of_Poland