GRAF VAN DE DICHTER

Langsheen de steile paden waarop de wilden zich begeven,

Op een opengebloeide rotspunt die als een gouden geiser stijgt,

Fabelachtige kameraad van arend en gier,

Voedde de Dichter zijn wilde droefenis.

 

De Mensen aan zijn voeten, in een dubbele horigheid,

Verdubbelden zonder ophouden een ontzettende inspanning.

Soms beschimpten ze zijn bloei;

Maar hij zag in de verte oevers opdoemen.

 

En van geboorte doof voor demente spot,

Wist hij stellig aan welke dronken Bacchante

Zijn gehavend lijk op een dag zou worden overgeleverd.

 

Hij liet de massa in een ondoorzichtige slaap

Om eindelijk het azuurblauw van zijn vaderland te ontdekken

En nam de verguisde weg naar de zon!

Léon Deubel (1879-1913) – Poésies (1905)

 

Allicht de laatste der vermaledijde dichters; van hem vertaal ik dit gedicht.

 

Deubel Valise

 

 

Advertenties