In de Midden-Atlas

 

 

De reizigers vorderen langzaam

op de ezelsrug,

al zijn ze op de vlucht,

van de ene keizerstad naar de andere.

 

Er is geen keizer meer.

Schapen en hun herder.

 

Halverwege, in de bergen,

onder de boomgrens,

vinden ze drie, vier stenen,

drie om op te zitten,

een doet dienst als tafel.

 

De man maakt vuur,

de vrouw kookt.

De ezel rust uit.

 

Hij heet Kasper.

Vanavond levend als een karper.