Brussels gedicht ongenummerd

Ik bereikte bij lichte tegenwind

het Reyerscomplex, het licht

stond op rood, ik liet het wiel vrij.

 

Ver van elke visgrond,

zee, meer of rivier,

zwaaide een kerel

met een vissershoedje.

 

Ik remde, dacht in een flits

dat ik de kerel herkende,

rook bloed en reed verder,

 

verscheurd.

Of ik zou bij het vissen een schuldig hoedje

dragen en daarmee een schuld,

of ik zou de kans missen

een kledingstuk te dragen met geschiedenis.

 

Aan de Van Praetbrug fietste ik weer vrij.

 

Advertenties