Onwel woelen

1.    Laat ons onwel wezen

 

Wij werden de steden uitgelokt, verdwaalden dra
tussen heuvels en akkers
en weigerden er genoegen mee te nemen.

Van het paard gingen we over op de fiets.

Almaar verder vervreemdden we
Zelden of nooit kwamen we
onszelf nog tegen
en wierpen geen stenen meer.

De akkers maakten plaats voor meren.
Daarachter lag ofwel het gebergte
ofwel de zee of nog wie weet
misschien de afgrond.

Laat ons hopen

 

 nieuwe fiets

2.    Woelen te Jabeur Sidi

 

Pas na een goed half uur, viel het
me op, de Suzuki stond er niet.
De kleine Citroën bestelwagen
kon de Suzuki niet vervangen
al stond hij op zijn plaats.

Later vond ik hem op de binnenplaats.

Met dada maak je wel abba
en met klojo geen oen.
De kip of de parelhoen
is hier de kwestie.

Ik at echter eerst een granaatappel.

Zijn inzicht na een nachtje tobben
was verpletterend en zie,
meteen sloeg een bom op hem in,
was hij verpletterd.

Nachtrust had niets verkwikkend meer.
Half om half draaide en keerde ik.
Ik leek behoorlijk zoek, toch van leer.

Later vernamen we dan ook terecht
dat niet een bom maar een stuk staartster
hem getroffen had.

De onbewogen vernieter
verdween die dag van de aardbol

Zondag 8 oktober 2017 te Sidi Jabeur


 IMG_20171005_111756.jpg

  

3.    Later aan de elf

 

Nog tasten de toppen
van mijn vingers het zwerk af
op zoek naar een gat, een breuk.

Niets nog breekt er door.
Alles keiglad. De een weent,
een ander breekt
in woede uit, alles zo vergeefs.

Nu keer ik me om en kijk de Thoth
in de ogen uit zijn verhaal
gerukt, verrukt haast.
“Het is toch wel van de hond geklaagd,

been op steen en zonder inscriptie.”
Wie sprak? Dat blijft in het midden.

Later aan de elf
keken we op
naar al dat gewelf

Advertenties