Klopt het hier nog? (of het dagelijks leven van de dichter als groep)

 

1.

Klopt het wel, klopt daar iets?
Is het vaders hart?
Het bonst een eeuwige minuut lang,

wat is lang, zo lang?
en valt haast stil.

Van zoveel kabaal
tussen zijn kinderen,

van kroost kannibaal.

2.
Eerst dienen wij de haas
te marineren. Uren later
kan hij de pot in.

Toen we adem verbeiden.

Het zeggen het doen, zo:
ontzeggen we het zodat
het zich ontdoet?

Wij laten niet de polen los
het zijn de ijskappen,
uit zichzelf ademen ze vrij
naar afgronden daarbuiten.

Al drijven ze weg, onze kinderen,
en vergaan ze zo
ver met adem tot op het bot
ingehouden, we snijden de trossen los.

We snijden de haas aan.

Advertenties