Waar was u?


Ik weet nog heel goed waar en hoe ik op deze dag in 2009 was. In Harelbeke

Binnenkort maak ik met deze man dus een groots opgezet boek. Van mijn vrienden mag ik het graag hebben

william ploegaert in aula

Advertenties

Weinig volk op een semi-historische bijeenkomst


Op historische bijeenkomsten is het zaak wat volk bijeen te brengen maar toch weer niet te veel, zodat het nichegevoel onaangetast blijft. Sla mij nu maar dood, zo’n zin en zoveel onzin. En toch. De feiten maar niet op een rijtje.

Er bestaat, voornamelijk in Antwerpen, een genootschap rond de moderne poète maudit Paul Van Ostaijen. Het derde of vierde in zijn soort, ik houd het niet bij maar ben er wel lid van. Van Ostaijen is overigens in dit laaggelegen laagland bij de zee nog altijd even maudit – hoe durft hij het een klankgedicht boven een vormgedicht te plaatsen! Einde citaat – zodat dit genootschap mikt op een nichepubliek, waarvan een deel van poëzie nauwelijks kaas heeft gegeten.

Er bestaat in ditzelfde land ook een behoorlijk vooruitstrevende uitgeverij, het Balanseer, gevestigd in Aalst, een plek om foert tegen te zeggen, tenzij je uit Afrika komt. Zonder het Balanseer en het carnavalsfeest zou Aalst totaal niets voorstellen. Weinigen echter kennen het Balanseer. Ik ben er ooit geweest, anders zou ik nooit in Aalst geweest zijn.

Tot slot bestaat in ons land een schrijver die alles weg heeft van J.D. Salinger: teruggetrokken. Hij publiceert dan wel weer en sinds enkele jaren bij voornoemde het Balanseer: Willy Roggeman. Die ook een begenadigd free jazz saxofonist is. Ik heb hem bezig gezien tijdens de Laatste Nacht van de Poëzie in Vorst Nationaal (1980) waar hij in kwartet gespeeld heeft: Willy Roggeman met F. Timmermans (ds, perc.), Peter Hertmans (el g, el basg) en Stefan Hertmans (el g).

Gisteren zouden twee van de drie voormelde ingrediënten samen komen in Antwerpen op wat aldus een historisch moment zou moeten worden. Immers, Willy Roggeman komt niet uit zijn kluis. Mark van den Hoof zou zelfs gekomen zijn, die op twee blauwe maandagen nog meegespeeld heeft in Roggemans jazzgroep.

Hij heeft wel een nieuw boekje geschreven: Arabesken met Zot Polleken (die laatste is dan Van Ostaijen, Paul dus) uitgegeven dus bij het Balanseer. Van de sprekers die werden aangesproken om die avond te spreken gaven er twee verstek. Onze goede vriend Ha Ha Holvoet mocht inspringen. Gelukkig was de actrice die wat gedichten zou brengen er wel bij; anders was zot Polleken helemaal de mist ingegaan.

Wij dus blij met een halfdode mus.

Deze morgen zat ik zoals elke morgen op de trein met buurman Erik A. die net als ik in Brussel werkt. Om er op tijd en zonder stress gisterenavond bij te zijn, wou ik vroeger weg uit Brussel. Dankzij de nieuwe ellende van de NMBS is dat niet gelukt zodat ik op een drafje naar Antwerpen reed, net onder de snelheidslimiet. Hoewel Erik A. een onbestaande band heeft met literatuur – hij leest zelden of nooit Kaaiman in zijn krant de Tijd – bleek hij toch uitgenodigd te zijn geweest, gisteren in Antwerpen. Dank zij de NMBS is hij er zelfs niet eens geraakt. Een gemiste kans voor mij om Erik elders dan op de trein of op het containerpark te ontmoeten. En voor het genootschap om een potentieel nieuw lid te krijgen.paul van ostaijen matthijs de ridder

WillyRoggemanarabesken met zot polleken

Open brief aan de Burgemeester van Bornem


Betreft dorpsidiotie
U hebt een wat wereldvreemde ja zelfs verdraaide om niet te zeggen perverse manier gevonden om uw dorp in de wereldbelangstelling te krijgen.
Aanvankelijk zag alles er nochtans zeer onschuldig uit, idioot zelfs. Elk dorp zijn idioot en de dorpsgek eerst. Dat was eeuwenlang het credo, gewild of niet, van het dorp. Paul van Ostaijen mocht dan wel ‘het dorp’ hebben geschreven, zonder idioot, met enkel een ossenwagen, veel zoden heeft Paul daarmee niet aan de dorpsgekte gezet.

.
In navolging van vele steden en sommige gemeenten werden echter de dorpen vermetel en kozen ze een dorpsdichter. In Bornem vond u met Ter Dilft in de achtertuin, dat ook ooit op de wereldkaart is gebracht in de jaren 80, dat Bornem een dorpsdichter van doen had. Het werd zelfs een toenmalige inwoner van uw dorp want ja, een dichter, een, telde Bornem net: Akim Willems. Die inmiddels alweer verhuisd is. Dichters leiden vaak een zwervend bestaan.

.
U had met andere woorden geen keus. U moet dan ook niet komen zeuren als die brave man een stout gedicht schrijft; of nog erger: een gedicht dat ingaat tegen uw beleid. Et alors?

Nader onderzoek leert ons trouwens dat het ingaan tegen uw beleid niet de ware zij het verborgen reden is van uw optreden met censuur. Uit dat nader onderzoek moet namelijk blijken dat u in de ogen van uw dorpsdichter slechts een burgermeestertje bent. En daar blijft u over struikelen, geef toe. Maar nee, u geeft niet. Niet toe, niet dicht, niet open, niets.

.
U gedraagt zich van de weeromstuit als de eerste de slechtste dorpsgek. Uw collega van Temse werd voor de eeuwigheid belachelijk toen hij een staande komediant wou verbieden in zijn gemeente. De komediant is toch gekomen hoor, in Temse. Nu wilt u dus openlijk de gedichten van uw eigen dorpsdichter censureren. Te gek! Wat een verwarring heerst er nu niet bij de bevolking en in de wijde omtrek! De dichter is niet langer op een lijn met de gek of de idioot, nee. Het is de burgemeester die op die lijn geraakt.

.
Het had van behoorlijk bestuur getuigd als u deze bundel mét de drie omstreden gedichten had gepubliceerd, met desnoods een alles zeggend voorwoord van uw hand. Nu bewijst u enkel hoe amateuristisch u bent in beleidszaken. Ga weg en vermenigvuldig u vooral niet.

Laag dunkend.

ziekpaard becket en attendant godotbornembibterdilft

Nog eens heel effe wat dagboek


Week van 22 tot 24 september 2014

Na het overmatig bewogen weekend in Jette waar overmatig veel beeldmateriaal van bestaat maar waarbij ik ook tekst heb gegeven en tot op het bot ben gegaan, kon de week niet stuk.
Maandag was dan ook een verwerkingsdag. Veel op een rijtje gezet. 1 & ander verder uitgeprobeerd. Versjes blijven schrijven.

Dinsdag en vooral woensdag begon het dan maar mis te lopen. Mijn werkprogrammatuur, een vertaalgeheugen, liet het afweten, liet mij zitten. Daar zat ik dan, een halve werkdag, tot de helpdesk eindelijk de bug had weggewerkt. Het gebeurt vaak. Kan niemand dit merk aanraden.
Met mij ging het niet mis. Ik gebruikte die tijd om te schrijven, brokje hier, brokje daar. Voor tekst ontbrak de concentratie.

Donderdag teruggekeerd naar het vaderland van Frank de Vos, mijn voormalig stamcafé dat ik ooit nog heb helpen runnen: den Hopsack.
Phil(ippe) Caliau stelde er een dichtbundel voor. Ergens is dit een ingrijpende wereldgebeurtenis omdat Ph. Calliau al twee pogingen heeft ondernomen om te stoppen met schrijven.
Hij werd prima ingeleid door Frank Pollet, een streekgenoot van me, zo mocht blijken. Hij wees erop dat Ph. Calliau ooit begon als neo-experimenteel. Ik herinner me dat nog.
Ondertussen is het al lang andere poëzie die hij schrijft. Met nog redelijk veel vrijvers en toch nog op zoek naar muziek. Ja, ik zou wel eens wat van hem kunnen gaan lezen eerdaags.

Nu is het vrijdag, alles is rustig. De tijd maakt golven.

philippe cailliauFrank de Vos

Festival gehouden en ervan gehouden


Hoe komt Brussel erbij in een internationaal festival voor ondergrondse poëzie te belanden? En is de eerste editie voor herhaling vatbaar?

.
Op vrijdag 19, zaterdag 20 en zondag 21 september 2014 had in Brussel zowaar het eerste internationaal festival van de ondergrondse poëzie plaats. U hebt het niet gemerkt, het was ondergronds, kwam dus niet op teevee. Tenzij op TV Brussel. Dus toch!

.
Hoe komt Brussel daarbij? Alsof er hier nog niet genoeg dreiging is van terreurbewegingen en andere licht exotische angstprikkelaars.

Het heeft alles te maken met Philip Meersman. Om het met de Franse filosoof Pascal te zeggen, bij wijze van parafrase dan: als Philip thuis was gebleven, in Sint-Niklaas, dan zou dat festival daar hebben plaatsgevonden. Nee, hij moest dus zo nodig naar Brussel verhuizen en wel in Jette gaan wonen. Jette, je vindt het nauwelijks terug op de kaart en al helemaal niet op de wegwijzers binnen de aglomeratie van Brussel. Of is dat het Brussels Gewest? Ja, hoofdstedelijk zelfs.

.
Philip is dichter. In eigen land, laag land bij de zee, erkennen de daartoe bevoegd verklaarde instanties hem niet. Dat doen die instanties wel meer, zo bevoegd zijn ze nu ook weer niet, laat staan dat ze oog of oor hebben voor talent. En Philip heeft talent. Op talrijke podia moet dat blijken. En onlangs ook uit een bundel, verschenen en Nederland en aldaar al reeds verdwenen. Ceci n’est pas un recueil. Manifest voor de poëzie.

.

In volle besef dat hij met die bundel een stap te ver ging, heeft hij de presentatie ervan laten voorafgaan door boete. Te Antwerpen. Om de zegen over dit werk af te smeken. Het heeft niet mogen baten. De bundel is samen met de uitgever verdwenen.
Philip had echter wat gedichten in het Engels geschreven dan wel naar het Engels vertaald. En zie, die verschenen bij een uitgever in New York, Three Room Press.

.
Het is een ware schande hoe België zijn surreële en dadadichters verwaarloost, net niet uitspuugt. Terwijl ze behoren tot de grondstroom, om het met een met modder beladen woord te zeggen, van het land. Land waar binnenkort de stroom trouwens uitvalt.

.
Om die schande in de verf te zetten heeft Philip zijn boek voorgesteld binnen voornoemd door hem georganiseerd internationaal festival. De aanwezigen mochten zich verheugen in een talrijke opkomst van geestgenoten uit binnen- en buitenland. Estland bijvoorbeeld. Of Nederland. Zwitserland en de Verenigde Staten. Wilfried Wynant bijvoorbeeld, net als ik voormalig medewerker van Tempus Fugit. Renaat Ramon begot, die ik in Bornem bijna omver fietste. Renaat is dan ook haast overal. En bijna 80 jaar. Of eindelijk nog eens boven de grond gekomen: Dirk Vekemans. Die de mystiek van de onderste kleilagen in tijd en ruimte ‘doet’. Philip had met andere woorden zijn huiswerk voortreffelijk gemaakt. Er waren ook Franstalige Belgen en een enkele Fransman. Er was de onovertroffen goedgekse Belgische professor uit de VS Alain Arias-Misson die zondags dansend door de straten van Jette een vrolijke optocht hield naar de meest ondergrondse plek die denkbaar is: de begraafplaats.

.
Er was de onvermijdelijke film van Abraham Von Solo “Dood van de poëzie”, die als inspiratiebron heeft gediend voor de DAESH ofte IS.
Zoals Emile Verhaeren ooit de inspiratiebron was voor de man die op de troonopvolger van de Oostenrijkse dubbelmonarchie schoot en daarmee het startschot gaf van de eerste Wereldoorlog.
Of de opera “de stomme van Portici” aanleiding gaf tot de Belgische opstand tegen Holland, waaruit België is ontstaan.

.
Wat daar gebeurd is en heeft plaatsgevonden doe ik hier niet uit de doeken. Dat spreekt vanzelf. Dat blijft ondergronds.

(hier echter valt nog meer te zien & te horen: https://www.youtube.com/channel/UCDAWub95sfrlfNDHVklGh1A
Komt er een tweede editie en zo ja, waar? Laten we het hier voorlopig bij houden en deze vraag tot hamvraag verheffen.

internationaal festival ondergrondpoëzie Brussel vanuit de underground is het makkelijker omhoog kijken met Philip Meersmandeelname_renaatramon2grootdeelname_marctiefenthalgroot

Tilburg een boom die tilt slaat en zich niet laat tillen


Tilburg een boom die tilt slaat en zich niet laat tillen

Zondag 11 mei was ik in Tilburg op uitnodiging van Martin Beversluis. Net als de dichters Daan Taks en René van Densen is hij dichter en inwoner van Tilburg. René is meer een alles doend dier dat mens wordt, Daan en Martin zijn echt fikse dichters die zich op de poëzie fixeren. Ze hielden een slamwedstrijd. Ik kom af en toe aantreden op zo’n wedstrijd, niet voor de punten maar voor het podium.
In het publiek, dat nochtans talrijk was, vond niemand mijn optreden een punt waard. De jury was het daar niet mee eens en had lof voor mijn werk. Maar ik speelde nauwelijks in op het publiek.

‘Om de hoek’ was er nog een slamwedstrijd. Twee op een dag op hetzelfde uur op dezelfde plek, je zou denken dat Tilburg het Mekka was van de slam. Bij die andere slammers twee vriendinnen die ik even goede dag ging zeggen. René had me immers op sleeptouw genomen ‘om de hoek’ en vertelde ondertussen voluit over zijn leven en zijn stad. Een ruwe schatting maakt van Tilburg de tweede lelijkste stad van Nederland, als we de eerste plaats in deze categorie open laten. Dat dankt de stad uitsluitend aan de burgemeester en de te brave aard van de Brabantse Tilburger. Die zich graag laat tillen liever dan dat hij burger is en verzet aantekent.

De naam bijvoorbeeld, gaat terug op een lindeboom (til) waarrond een vestiging is gebouwd (burg). Wikipedia vermeldt dit niet. Waarschijnlijk is die eeuwenoude boom met kwaad opzet gedood, vermoord dus. Toen hij uit de grond werd getrokken, zag iemand in de boom een scheut groeien. Deze snode burger heeft de scheut eruit gehaald en thuis in de grond gestoken. Toen er een levensvatbare boom uit groeide, zorgde deze burger ervoor dat hij op de plaats kwam van de oerboom. Me dunkt is dit vrij uniek.

Ook vrij uniek is het verschijnsel Andrew Cartwright, een Brit die in Tilburg met de universiteit is verbonden geraakt en versjes schrijft in het Nederlands en het Engels. Toen ik met hem kennis maakte, wist ik meteen dat hij een Engelsman is. Amerikanen kennen geen humor zoals deze Andrew. René beweert dat hij een duvel doe al is die behalve een baan, een vrouw en een kind ook nog eens schrijft. Hij zag er alvast niet overwerkt uit. Waar René dat wel is geweest.

De eerste persoon echter die ik gisteren aantrof was Chris van de Ven, een naar blijkt inwijkeling uit Haarlem. Hij is de stapschrijver. Nee, niet een stapschrijver. Me dunkt is er maar een. Deze man stapt overal naartoe of fietst ergens heen en stond in de Hall of Fame te lezen en te schrijven. Hij schrijft een bierviltje vol en laat dat ter plaatse achter. Uren later dook hij op, op een andere plek, met zo’n volgeschreven viltje. In Cul de Sac was het, waar die Cartwright en ik met elkaar kennis maakten. Toen René en ik later terug liepen naar de Hall of Fame, kruisten we Andrew nogmaals. En zwaaiden we.

Die Hall of Fame is een mooie plek in Tilburg. Deze stad is ongeveer zo groot als Gent, aldus René, die Gent kent uit een vorig leven en er regelmatig naar terug keert. Waar ik hem trouwens ontmoet heb. Het spreekt vanzelf dat zo’n stad een station heeft. Meer nog, de uitbater van de spoorinfrastructuur, Spoorstruc zou je denken dat hij heet maar nee hoor prorail, nietszeggend, net als infrabel bij ons. In Tilburg had prorail een groot complex met verschillende gebouwen waar treinstellen werden hersteld. Zal wel van NS geweest zijn. Soit, die staan leeg en de activiteiten zijn verlegd naar een nieuw terrein met nieuwe gebouwen. De oude gebouwen worden ingenomen door creatieve vrijwilligers, waar er in Nederland veel van zijn. Een ervan bestond al een paar jaar, Hall of Fame. Betrekkelijk eenvoudig en smaakvol ingericht. Mooi. Alsnog een fraaie plek in deze bedenkelijke stad.

Me dunkt dat als ik het samenvat, je heel wat mooie mensen hebt en heel wat poëzie voor heel wat poëten in een stad die ondanks de verwoestende kracht van de verandering van zijn burgemeester, zijn lelijkheid overwint.

Jolies op de slam om de hoek in Cul de Sac

Jolies op de slam om de hoek in Cul de Sac

erika de stercke

Daan

Daan

Martin Bevesluis midden vooraan

Martin Bevesluis midden vooraan

rené vandensen blogt en zo

Andrew

Andrew

Chris de stapschrijver

Chris de stapschrijver

Bob is dood


In de eerste helft van de jaren ’80 ben ik in Antwerpen beland. Ik was eerder in de Vecu een kleine cyclus gedichten gaan voordragen en kreeg daar de smaak te pakken. Toch zou het nog een jaar duren en zou ik eerst in Brussel gaan wonen.

In Antwerpen vond ik op anderhalve goed gespannen boogscheut een stamcafé. Er kwam veel scheppend volk naartoe. Marcel van Maele bijvoorbeeld of Nic Van Bruggen, dichters. In die buurt liep een mannetje wat stijf en soms strontzat over de plek. We maakten kennis. Hij heette Bob. Hij kende ook de half zatte ingenieur A. de B., die mijn vriend geworden was. Met A. ging alles lang goed en daarna niet meer. Met Bob liep niets echt goed.

Ik verhuisde en bleef in contact met A. Niet met B., met Bob. We verloren elkaar uit het oog. Tot ik in een totaal andere buurt van Antwerpen ging wonen en Bob daar bleek te wonen. Hij schreef nog altijd wat gedichten, ja. Hij schilderde zelfs.

Geen van de twee uitingen en vormen die ze kregen haalde ooit wat uit. Tenzij dat ze hem op de been hielden, in leven zo je wil.

Hij schopte het ooit tot verschijnsel toen hij in de weekendbijlage van een krant met foto en al op een hele bladzijde, het kunnen er ook twee geweest zijn, geportretteerd werd als de meest vermaledijde dichter (le poète le plus maudit). Die dag schitterde Bob even.

Op een keer dacht hij: ik vraag de burgemeester een boom te planten hier in het park om de hoek. Tot eenieders verbazing ging de burgemeester op zijn verzoek in. De boom van Bob werd een feit. En dat mocht gevierd worden want Bob zelf had het niet verwacht. Hij schakelde het buurtcentrum en de school in en organiseerde een poëziefeest rond die boom. Het werd een succes. Die dag schitterde Bob ronduit.

Later heeft het buurtcentrum de zaak van hem afgenomen en overgenomen. Het is nooit meer iets geworden.

Hij heeft een paar jaar een computer gehad, een Apple zelfs, en een internetverbinding en beheerde zijn bankzaken via het internet. Bob leek soms vreemd, zelfs wereldvreemd maar tot op zekere hoogte kon hij de wereld wel aan. Toen zijn bank een nieuwe programmatuur voor internetbankieren oplegde, heeft hij de zaak voor bekeken gehouden. Gedaan internet.

Hij hield ook op te schrijven en te schilderen. Gedaan met de kunst. Het ging een tijdje beter met de Bob. Hij schikte zich zo langzaam in zijn lot. Tot hij op een dag vertelde dat hij als jongen door een geestelijke was verkracht. Dat zou zijn ellendige leven verklaren. Ik bespaar eenieder de uitzichtloze details van wat het leven voor Bob precies betekende. Een gruwel.

Op een dag belde hij me, onze contacten verliepen opnieuw heel telefonisch sinds ik uit Antwerpen was verhuisd. Hij had een webstek laten ontwerpen, iets heel unieks. Bleek dat die gewoon niet bestond. Bovendien kon hij niets aanvangen met een webstek daar hij geen internetverbinding had. Weer een van zijn talrijke hallucinaties. En toch belde hij en bleef me opbellen om de vooruitgang in de webstek te melden. Tot ik hem vlakaf zei dat hij best zichzelf mocht bedonderen met die webstek maar mij niet belazeren.

Ik heb hem toen eigenlijk nooit meer gehoord. Onlangs wou ik die stilte doorbreken. Bleek zijn telefoonnummer niet langer te bestaan. Ik belde naar zijn stamcafé – het Oude Badhuis – en daar hoorde ik dat hij verleden jaar overleden was. Ik schrok wel even. Op het internet vond ik zijn doodsbrief. Hij is 57 jaar geworden. Thuis dood aangetroffen in januari 2013. Een stil vermoeden heb ik wel. Gedaan met leven.

het oude badhuis