Niet alleen geluk kent zijn bron (7)


 

4.    Verbindingen, associaties, lijnen

Verleidelijk lijkt het wel: er zijn mensen die hoog in hun stamboom klimmen om lijnen te trekken naar het verleden, hun verleden. Naar analogie zou ik de verbindingen die me toegevallen zijn in de loop der tijd, tot lijnen kunnen herleiden, tot een familie, en aan de vruchten kent men de boom; vind maar de juiste tak waar de vrucht van gevallen is. Goed dan. Als de vrucht degene is die ik geworden ben in termen van programmatuur, niet in termen van apparatuur, die laatste behoort tot de genealogie, hoe zou ik van de tak op de tak springen, waar zou ik trouwens beginnen? Kan het tijdsverloop een aanzet geven?

De opgave is zo immens dat het me duizelt. Eerst kwam de “moeder”, een danseres, die het besturingssysteem hielp bijsturen. Na acht jaar heb ik de streng doorgeknipt. Toen kwam de “vader”, een schilder en schrijver. Met hem hou ik nog contact – oogcontact, heel soms, telefonisch, per brief al dan niet elektronisch verstuurd. Er zijn echter ook merkwaardige zijtakken, het gevolg van zijsprongen met onverwachte verbindingen.

Tussen 1990 en 1998 ben ik zes maal naar Marokko gegaan. In 1993 wilde ik hiervan een uitbundig en -voerig verhaal brengen, maar dat lukte niet. Fragmenten eruit komen hier en daar nog wel voor in deze. Het is zeker niet als toerist dat ik er gegaan ben, zo blijke uit dit boek.

Mijn jongste reis bracht me bij dat er, met die reis, een cirkel rond was. Het werd dus tijd om een balans op te maken. Ik werk niet zomaar in een boekhoudkundige instelling en bovendien ben ik inmiddels 45 jaar geworden.

 In de jaren ’80 legde ik de kringen naar binnen. Zelfonderzoek en -ontwikkeling voerden toen de hoofdtoon.

Hoe wordt een persoon getekend? Hoe tekent hij zich als dusdanig op? Hoe komt hij daartoe? Waar haalt hij het uit, vandaan?

Tekenend voor een schilder is dat hij volstaat met enkele rake trekken. De bezoeker was al deels bevrijd door het optreden des persoon in de schilder die hem vroeg: ‘Vertel me, wie ben je?’.

‘Ik ben dichter’. Dat hij had leren lezen en schrijven tot op de hogeschool, maar dichter gebleven was. Dat hij had leren dansen, er dusdoende de versvoet goed onder de knie gekregen had, en er ook door getekend werd. En dat hij dat zomaar spontaan durfde te bekennen. De man die de vraag gesteld had, knipperde even met zijn ogen, werd stil en sprak: ‘Je bent staatsgevaarlijk’.

Dat klopte, ik was op staande voet ontslagen uit staatsdienst, zonder enige reden en was daarover nog altijd woedend want gekwetst. Hoe kon die man, die me nauwelijks kende, zo diep in mijn ziel kijken? We zijn samen enkele jaren opgetrokken, hebben een Europese kunstkring opgericht, we noemden die de ‘Ombuiging’ vzw. Toen we voldoende werk hadden geleverd, pleegde ik een telefoon naar Brussel, waar men bleek op mij te zitten wachten. ‘Wat denk je ervan om vertaler te worden?’ Ik had in die tussentijd naast de Ombuiging, gedichten van Stéphane Mallarmé proberen te vertalen. Dus was mijn antwoord volmondig ja. Ik trok naar Brussel, tekende een arbeidsovereenkomst met de Staat en trok te voet naar het atelier van Serge Largot, die toen in Sint-Joost zat, op wandelafstand. Hij ontving me zoals steeds en viel toen met de deur in huis: ‘Weet je, Marc, onze samenwerking zit er eigenlijk op. Het wordt tijd dat je terugkeert vanwaar je gekomen bent’. ‘Daar kom ik nu net van, ik begin opnieuw volgende week’. ‘Sophie, zet voor ons eens een stevige pot koffie’. Er volgde een debriefing…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s