Niet alleen geluk kent zijn bron (2)


Een paar maanden later, het kunnen ook weken geweest zijn, kreeg ik een geschreven verzoek, in een standaardbrief, om lid te worden van de zusterpartij van de minister in Vlaanderen. Ik werkte immers voor een Waalse politicus, een goedhartige brombeer met pijp. Het was hoereren of verticaal klasseren. Ik zocht echter eerst Frans B. op, die toen nog kantoor hield bij de openbare omroep en met wie ik enige tijd had samengewerkt. Hij hoorde mijn bezwaren aan en besloot met een cryptische raad, dat ik desnoods maar een eigen politieke partij moest oprichten. Ik kon met zo’n advies nog beide kanten uit maar klasseerde het verzoek verticaal, en dus zonder gevolg.

In die tijd duurde een regeerperiode ongeveer zes maanden. Weer viel de regering en ik belandde terug op de departementale PR-dienst. Ik ben er twee jaar en een beetje gebleven, maakte opnieuw en nog steeds het dagelijks persoverzicht van krant en weekblad, maar op de duur in krantenformaat; het werd daardoor veel gevraagd en in stilte geprezen.

Ik knokte tegen intriges, waarbij het – lege – diensthoofd driftig gemanipuleerd en gebruikt en tegen mij werd opgezet met het veelbelovende en sterk gemaquilleerde oog op een snelle loopbaan. In eerste aanleg mocht het baten, maar niet op middellange termijn. In die eerste aanleg legde ik als laatste van mijn ploeg de duimen, met 8,5 bloeddruk en een gestrand huwelijk. Net voor het zover was, was ik op het dienstbetoon van de bevoegde staatssecretaris geweest om hem het einde van zijn politieke loopbaan te wensen. Mijn wens is kort daarop werkelijkheid geworden. Het lege diensthoofd viel ineens omhoog en viel, niet echt zoveel later, nog sneller omlaag, dook daarna nog even op bij Febiac maar heeft nooit meer in overheidsdienst gewerkt. De man die in dit spel de touwtjes in handen hield, met daaraan bevestigd het diensthoofd en de staatssecretaris, werd door diens opvolger betrapt op diefstal en wandelen gestuurd. In mijn ogen is hij die dag gestorven, later ook daadwerkelijk, aan kanker. Ik ben op zijn begrafenis geweest om hem een brandende helletocht toe te wensen.

Goed. Ik werd zonder dank voor bewezen diensten de laan uitgestuurd. Drie jaar lang had ik geen woord geschreven van hoger belang dan het algemeen, al te gemeen, maar had wel twee dochters gemaakt. Zolang ik in Brussel, de hoofdstad, werkte, woonde ik er niet. Toen ik er niet langer werkte, ging ik er wonen. Ik hield er een reis rond mijn kamer. Drie jaar later woonde ik al twee jaar opnieuw elders en ging opnieuw in Brussel aan de slag om te werken voor ministers. Wat in die tussentijd gebeurd is, is een ander verhaal, komt later nog wel. Ik verzorgde wel niet langer de PR. Nee, niet langer werken om journalisten nieuws mee te geven. Ik werd vertaler. Tijdens mijn afwezigheid van drie jaar uit de Wetstraat had ik immers, na die reis om mijn kamer, besloten alleen nog te schrijven in het hoger belang, i.c. de poëzie, en mijn broodwinning in functie daarvan te zoeken. Een vertaler schrijft zelf niet. Wel kwam ik er niet voor uit dat ik poëzie als hoogste belang bedreef. Met een schuilnaam achtte ik me veilig.

Ik kwam de Wetstraat opnieuw binnen zonder enige partijpolitieke binding en belandde bij de minister die op een blauwe maandag ook even bevoegd was voor de decentralisatie. Toen ik aan hem werd voorgesteld, hij de zoon van een romantisch dichter en verhalenschrijver, voegde zijn woordvoerster en mijn vroegere collega eraan toe: ‘En bovendien is hij dichter’. Ik wist niet goed waar ik het had. De minister repliceerde daarop: ‘Ah, les poètes, au moins ils ont encore une vision globale du monde’ (‘Ah, dichters, zij hebben ten minste nog een omvattend wereldbeeld). Ik antwoordde: ‘sommigen wel, maar lang niet alle’. Daarop repliceerde hij door me een onderonsje in het vooruitzicht te stellen. Ik geloofde hem niet maar een jaar later, hij was al geen minister meer, hield hij woord.

(foto, de minister in kwestie, Charles-Ferdinand Nothomb)

 

Charles-Ferdinand_Nothomb_2012.JPG