Dubois, het kanaal en ik


Hoe ik voorafging (préambule):

Eindelijk scheen de zon. Het is zomer! Ik ging op stap, vandaag, in Brussel. Ik aarzelde. Ga ik naar de boekhandel Filigranes of wordt het de boekhandel Tropismes? Ik wou boeken in het Frans kopen. Was het de tropische zon die me naar die laatste dreef? En zut, zeg, Joe, ik heb er drie boekjes gekocht, voor enkele tientallen euro. Surrealistisch, niet?

Onder die boekjes, het Kanaal. Van Jean-Claude Dubois. Een dichtbundel. Uitgegeven bij Manier et Mellinette Cheyne. Nooit van gehoord. Ik deed de bundel open: dat had ik nog nooit gezien! Helemaal in de mode van de burger, ongelooflijk! Melancolie, kolieken, poliepen, en dies meer. En toch was er meer.

Ik begon een antwoord te schrijven op die gedichten. Toen brak de zomer helemaal door en vertrok ik met vakantie om mijn geest te laten waaien. En hier komt nu het resultaat.

  1.  

Als ik het kanaal volg, in het Frans,

langs het water, verandert zijn taal.

Naar het noorden toe, het Nederlands.

 

Ik heb altijd gesproken tot het kanaal

maar het kanaal weet dat

als je alleen spreekt

je daarom nog niet de waarheid spreekt.

(Dubois)

 

(dat zeg jij; maar ik

spreek niet tot het kanaal.

Ik spreek de vissen toe in het kanaal

tot ze toehappen; je bent nooit alleen bij het kanaal.

Ik hou van de vissen,

de vissen houden niet van mij.

Zodra ze me te zien krijgen, haten ze me)

 

  1.  

Vaak heb ik het gezegd

dat zijn blik die van de vogels

leek te kruisen

op het eigenste ogenblik

waarop hun uitleg opvloog.

(Dubois)

 

Mij zegt het iets als ik vogels zie,

dat zal wel. Dat zegt me dat er vis zit.

Dan kruis ik hun blik met mijn hengel.

 

  1.  

Ik lig op mijn buik op het jaagpad, mijn hoofd beroert het water, alles lijkt me buiten proportie. Mijn verleden, mijn herinneringen en bovenal, mijn voorvaderen. Ze leefden op het oppervlak van het kanaal zonder dat ik ze bemerkte.

Ik ben daar gebleven, lang genoeg om de helft van de hel uit het hoofd te leren. De andere helft behoorde me nog niet toe. Ik heb het beleefd als rouw, als een voetspoor dat edeler werd naarmate het uitgeveegd werd.

(Dubois)

Ik zit met mijn billen op het jaagpad. Ik wandel er ook vaak. Mijn hengel beroert het water. Alles lijkt goed in proportie. Ik gooi mijn hengel uit en trek de lijn terug of nog ik gooi mijn lijn uit en wacht. De vissen leven onder het oppervlak en ik merk er niets van.

Ik ben daar gebleven, lang genoeg om er een paar te vissen. De andere zijn gebleven en behoren me niet toe. Ik heb dit beleefd als een feest, heb gedanst, heb mijn voetafdruk gemaakt op het jaagpad.

 

 

  1.  

Je bent te laat. Als we de wet strikt zouden toepassen, zou de rest van de wereld niet op jou hoeven te wachten. Niemand immers gelast zich met tijden die gestruikeld zijn.

 

En toch hebben we op jou gewacht. Het verleden zowel als ik.

Het heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om me nog ongelooflijker en nog oudere verhalen te vertellen.

Oud worden is bang zijn om een echt verhaal te beleven.

(Dubois)

 

Ja, ik ben te laat. En dan?

Dat overkomt me zelden. Zo goed als nooit.

En dan? Denk je dat ik gestruikeld ben?

Ik heb gewoon teveel stronk geheten of struik. En dan?

 

Ondanks alles, ondanks de strikte toepassing

van wat jij denkt dat het een wet is, sta ik hier, sta jij hier.

En nu?

Waarschijnlijk denk je nu dat ons ware verhaal nu begint.

Welnee, het is al bezig.

Het is begonnen op het ogenblik waarop je begon te wachten op mijn, waarop ik mijn reis naar jou ben begonnen.

 

  1.  

 

Dat kanaal was mijn engelbewaarder.

 

Vaak heeft het mij getroost.

Het zei me dat ik te veel uitgeveegd was,

te veel op mezelf.

Dat als ik ooit wilde bemind worden,

ik de wereld moest nastreven

aan de andere kant van mijn breekbaarheid.

 

 

Zo zie je maar, een communicatie-

kanaal.

 

De engelbewaarder daarentegen

wordt vervaarlijk vloeiend, vloeibaar zelfs.

Als je jong bent en behoorlijk banaan

ben je altijd op jezelf.

Niets nieuws onder de zon.

En dat breekbaarheid een andere kant heeft

en die verbergt, dat vind ik te ver gaan.

Dubois wil al eens meer te ver gaan,

soms. Kom terug!

 

  1.  

Voorbij de sluis

gaat een wereld open

die ik niet ken.

 

Hoe verder het kanaal verwijderd,

hoe meer ik verliefd word

op wat er van overblijft.

(Dubois)

 

Ja, ze bestaan, zij voor wie

de liefde, dit bezinksel,

verwijderd ligt voorbij de sluis.

 

Ik ben ook gevallen,

in het moeras, de modder

langs de oever van het kanaal.

 

Ik ben er op eigen kinderkracht uitgeraakt.

Ik glom en triomfeerde.

Mijn moeder heeft het me verteld.

 

Kijk, ik beantwoord die gedichten van die dichter uit Noord-Frankrijk en ineens herinner ik me dat ik in het kanaal gevallen ben. Dat kanaal heeft nooit dienst gedaan. Mijn val blijkbaar wel.

 

 

J’ai les pieds ….

 

Ik sta met mijn voeten in het water

modder rond mijn enkels vat me.

Muggen

lopen er achteruit.

 

Het kanaal is vol azijn

en chagrijn.

 

Het spreekt.

Alles spreekt het tegen.

(Dubois)

 

Helemaal ja,

met beide voeten in de modder.

 

Ik stonk behoorlijk, ja waarlijk ik stonk

maar de stank heeft me niet genomen.

 

Niets op aan te merken.

Ik ben eruit geraakt en

ben meteen naar huis gelopen.

 

 

Advertenties