Open brief aan Joël De Ceulaer


Geachte heer,

Het weekblad Knack, waarvoor u werkt, heeft een tijdje gekwakkeld. Het meeste van wat in de tweede helft verscheen, raakte kant noch wal, bevatte fouten of was met opzet ‘slecht gekozen’. Er werden meer kunstwerken afgebroken dan besproken. U had daar uiteraard geen verdienste bij.

Sinds geruime tijd heeft het opnieuw een meerwaarde. Vroeger bestond die uit journalisten als Six, De Moor en Verleyen. U had daar uiteraard geen verdienste bij.

Misschien was u er toen nog niet bij.

De nieuwe meerwaarde is haast volledig toe te schrijven aan de bijdragen van Stijn Tormans (zie foto). U hebt daar uiteraard geen verdienste bij.

Tot daar gaat het nog en is er geen aanleiding om u een brief te schrijven. Buiten Knack echter houdt u deze week op radio 1 de dag bij in een boek. Gisteren bent u daar echt totaal naast de kwestie en in de mediamist met alle cynisme van dien, gegaan. Ha nee, dat een reeks treinen stilvalt, dat het uren duurt vooraleer ze op de hoogte worden gebracht, dat tenslotte een gemeentelijk rampenplan wordt afgekondigd, dat vindt u allemaal weinig nieuwswaarde hebben.

Geachte heer,

We leven, mocht u dat nog niet hebben gemerkt, in een redelijk beschaafd land. Hier breken geen spontane opstanden uit, die via het groot smoelenboek worden opgezet. Hier slagen alleen de bestuurders van het land en gewest er niet altijd in de zaken te besturen die wij hen hebben toevertrouwd.

Ik vind het wel nieuwswaarde hebben. Verleden winter slaagde de trein erin me een vliegtuig te missen. Denkt u dat de NMBS mijn ticket terugbetaald heeft dat ik extra heb moeten boeken? Denkt u dat ik meteen wist wat er aan de hand was, waar mijn trein bleef? Ik heb het zelf uitgezocht.

In het station Mechelen (zie foto), het communicatief rampgebied bij uitstek, stond ik ooit voor een verscheurende keuze. Neem ik de trein waarop ik een half uur heb gewacht, of de volgende, die er net naast al klaar stond? Een daartoe voldoende zichtbaar uitgeruste bediende van een van de drie maatschappijen stond tussen beide treinen. Hij droeg bijvoorbeeld een kepie, een treinfluitje en nog enkele andere accessoires. Ik vroeg hem dus welke van beide treinen het eerst zou vertrekken.

Zijn antwoord was: “Nee, dat weet ik niet”. Onder de vele accessoires die ik zonet heb vermeld, hoort een zaktelefoon. Die mensen hebben er allemaal een gekregen van de maatschappij, NBMS, Infrabel of de holding. Ze weten het zelf niet. Daarom zei ik: “Wel, neemt u dan uw zaktelefoon en belt u. Dan weet u het meteen”.

Ja, ik heb voldoende ervaring opgebouwd in dit rampgebied om creatieve oplossingen aan te reiken in geval van overmacht aan domheid, onwil en dies meer.

“Maar mijnheer,” antwoordde het ventje, “Dat mag ik niet”.

Waarop ik hem streng toesprak: “Wilt u dan zo goed zijn hier en nu, meteen zelfs, in de grond te zakken van schaamte.”

Dat, mijnheer de Ceulaer, haalt het nieuws niet maar is wel dagelijkse kost. Uw cynisme staat u natuurlijk in de weg om ook maar een ons begrip op te brengen. Tenzij u weet – en u hoort dat te weten – dat de regels die deze mensen verbieden met elkaar en met de reizigers te communiceren, geschreven zijn door die lieden zelf, ik bedoel de dikke groenten die aan het hoofd staan van die rommelmaatschappijen. De bevoegde Minister tekent dan die teksten, waarna de Koning ze bekrachtigt. Je zou voor minder als reiziger de maatschappijen zelf aanspreken. En wie roept de Minister tot de orde?

Met de nodige scepsis over de rol die u verder nog kunt vervullen in deze samenleving, teken ik.

Advertenties

Dichter bij boomstad


1. Ons lijkt het toe te komen,

over zee aan te waaien.

Het neemt de Schelde tot kanaal.

 .

Dan buigt het de bomen

naar voor of opzij.

 .

Voor eeuwig groen

zingt hier geen bos.

 .

Voor eeuwig jong

haakt de vis

zich hier verloren.

 .

We worden er metterdaad

beter van.

 .

2. Wie pikt zomaar alles

wat komt aangewaaid op?

Laat ik me kennen,

dan tot op het bot.

 .

Het zit in me vast.

Zo kan ik voluit

buigen en waaien.

 .

Het houdt me ook vast

en zelden bezig.

Je ziet het ook nooit.

 .

Van alles wat we zien

krijgen we soms genoeg.

Tot de wind gaat liggen

en het stof inslaapt.

 

(foto boom: Pia Lootens)

Een coninkje, drinken of schrijven?


In Antwerpen weten ze het niet meteen, sinds er ooit eentje de buurt Zurenborg onveilig maakte door beide activiteiten te combineren. Er is sindsdien verwarring ontstaan in het poëzielandschap tussen de Belgische taalgrens en de Moerdijk. Veel van wat sindsdien aan de man / vrouw wordt verkocht als poëzie, zoals Coca Cola geen limonade is maar wel als dusdanig aan de man / vrouw wordt gebracht en er in gegooid, is het niet. Een dwingende normaliteit houdt sindsdien de mensheid in een houdgreep.

 

Het aantal zelfmoorden stijgt dan ook zienderogen. Dood eens jezelf, dan gooi je hoge ogen.

 

Stilaan gaat die verwarring weer over. Peter Verhelst publiceert weer gedichten, Xavier Roelens meldt spookrijders, Lies Van Gasse knoopt aan bij Paul de Vree. Met Sylvie Marie (de Coninck) luiden de doodsklokken nogmaals over het dichtertje uit Zurenborg.

 

Met haar eerste bundel, ‘Zonder’, deed Sylvie Marie nog een coninkje. Leuke en minder leuke anekdotes als aanleiding en draad. Zo verrekt politiek correct dat ze meteen een uitgever vond en in de Humo mocht. Er gingen stemmen op die haar meteen, dit is zonder boe of ba, met een kindertrauma opzadelden en haar aldus in de richting van de zelfmoord wouden drijven, al dan niet onbewust, meestal zonder voorbedachten rade. Doorgaans ten einde raad. Als ze in die bundel al van poëzieleer zou zijn getrokken, de bundel zou ‘zonderling’ als titel gekregen hebben.  

Nu is ze te huwelijk gevraagd en getrouwd en komt de poëzie zelve om de hoek loeren. Bestaat daartussen wel een verband? Kom en kijk.

 

Het gedicht ‘hier is het waar je me voor het eerst kuste’ verhaalt een grappige zelfs inslaande anekdote maar besluit met:

 

hoe dat veranderde toen mijn hand je staande hield

 

Dat ruikt al naar poëzie.

 

In de cyclus ’s nachts lezen we dan weer:

 

ik sla de wrijving, het gerinkel over

dat zo volstrekt onbeduidend is, maar

toch echt van naast het bed komt

waarin ik was gevallen

 

De verrassing is ‘waarin’ ik was gevallen. Vroeg of laat valt ze eruit, ben je geneigd te denken. Sylvie valt er echter in, een ware meevaller. (We zitten er niet op te wachten maar houden onze adem ondertussen bij pozen in). De dichteres slaat de anekdote over – zo volstrekt onbeduidend. De werkelijkheid moet de duimen leggen tegen de poëzie, het spel en zie, op de volgende bladzijde is het zover (en dit gedicht springt er dan ook meteen uit, recht in het gezicht van de lezer):

 

omdat ik geen vis meer wou zijn, wierp

ik me uit het water

 

Dit spel van vis en zee spreekt boekdelen. Ze werpt zich (in de media hoor je soms zeggen: hij of zij smeet zich; Sylvie weet beter). De goede lezer, die het gedicht twee keer leest om goed te zijn, de tweede minstens twee keer zo traag, krijgt iets te zien.

 

Niet geheel anderzijds lezen we in de cyclus “alles op afstand” (is dat ‘alles’ er niet te veel aan?):

 

Zoek me, tussen de anderen

sta ik, de voeten in een hoek

geplant, de knieën samen

een stam, recht omhoog

tot aan mijn heupen van hars

(…)

Hier is elke coupure van de regels geslaagd. De boomwording krijgt daardoor precies gestalte. Je kan er heel even naast lezen, niet lang, een korte adempauze en dan groeit daar weer de boom. De lezer moet mee de boom in.

 

Het maakt van Sylvie Marie een dichteres, eerder koninklijk dan conincklijk.

 

Het boekje zelf is uitermate eenvoudig verzorgd uitgegeven. In hedendaagse termen zou men dat koel noemen en het klopt: koel, niet onderkoeld. Spijtig dat het lettertype schreefloos is, alsof het een e-book is of enkel bestemd om op het internet te lezen. Dit euvel vergaat wat in het niet bij de uitgebalanceerde bladspiegel, de kleuren van het kaft (ze schreeuwen niet maar scheppen een aanwezigheid) en de keuze van het papier. In de uitleiding staat dan weer een schreeuwlelijke fout waar het erom gaat dat in het Nederlands iets gebeurt in de vorm en niet eronder. Wie deze wandaad gepleegd heeft, heeft het boekje, dit kleinood, ontsierd.


Sylvie Marie

Toen je me ten huwelijk vroeg,

Uitgeverijen Vrijdag en Podium

(15 euro)

Hoe vergaat het in de taxi


Het was gisteren een dag van extreem gemengde gevoelens. Een explosieve cocktail die niet uitgebarsten is. Immers, naarmate de cocktail woedde kwamen allerlei figuren binnengewandeld. Guy Marchand, om er een te noemen.

 

We reden met ons drieën in een taxi naar het Zwarte Land, meer bepaald naar La Louvière. Het was een zwarte dag. We gingen naar de afscheidsplechtigheid van een collega. De nauwste medewerkster van deze collega had er niet beter op gevonden dan een taxi te huren.

Philippe was van plan geweest te stoppen met werken op zijn 60ste. Hij was op kantoor met vlag en wimpel binnengehaald door onze toenmalige voorzitter. Zo iemand zit een directiecomité voor. Na twee jaar werd deze voorzitter met al zijn gewicht en zijn inbreng, zijn talent als organisator en als strateeg, aan de kant geschoven en bij het grove vuilnis gedumpt. Zijn plaatsvervanger schreef al wie onder zijn voorganger goed te boek stond, in op een zwarte lijst op. Zo dus ook Philippe. De tegenwerking was homeopathisch gedoseerd. Een jaar voor hij met pensioen zou gaan, kreeg hij kanker. Toen zijn behandeling net genoeg resultaat had opgeleverd dat hij te been was, kreeg hij zijn afscheidsreceptie. Het was enkele maanden geleden. Deze week is hij overleden, 61 jaar is hij geworden.

Ik zat naast de taxichauffeur. Die bleek een heel merkwaardig man te zijn. Hij had graag klassieke talen geleerd maar bij gebrek aan ‘afzetmarkt’, is hij naar de filmschool getrokken. Jaren lang maakte hij filmpjes, voornamelijk reclamefilms. Hoge tijdsdruk, soms bedroevend resultaat, weinig speelruimte. Hij besloot ermee te stoppen en werd taxichauffeur. “Dit is mijn echte roeping,” zo voegde hij er aan toe.

Zelf rijdt hij met behoorlijk trage auto’s. De hele rit lang over de autoweg schommelde zijn snelheid tussen negentig en honderd tien per uur. Lange tijd jaren lang dus reed hij met een Citroen 2 pk, later met een Citroen Dyane. Voor de half jongeren onder de lezers: het gaat om een autotootje met linnen dak, voorwielaandrijving, luchtgekoelde motor met twee cilinders met een cilinderinhoud van om en bij de 800 cc. Over het vermogen zijn geen cijfers meer bekend.

Maar hoe kwamen we toch bij Guy Marchand, zult u vragen. Terecht, vraag het maar. Wel, in het Frans bestaat een liedje van Vanessa Paradis, Joe le taxi, en ja hoor, de taxichauffeur, François heet hij overigens, heeft het al zo vaak cadeau gekregen dat hij er van baalt. Dan liever dat lied van Guy Marchand, Taxi de nuit. Nu heb ik Guy Marchand ontzettend vaak gestalte zien geven aan de privé detective Nestor Burma. Oké, Guy Marchand klinkt wat meer afgeborsteld dan pakweg Serge Gainsbourg maar is jazzy genoeg om me bekend te zijn.

Toen bovendien bleek dat François Herman Claeys heeft gekend, nog zo’n dode vriend van recente datum, had ik me wat verzoend met de dood van Philippe.

Hoe ver nog, Toumaniantz?


Nou goed, je kan van een verhaal

omver vallen en in slaap. Maar

.

als je huid geaaid wordt

en de inkt erin gedraaid,

dan heb je geen verhaal

om van in slaap te vallen.

Dan loopt er iets verkeerd

in het Koninkrijk Denemarken

en aan de hemel bij de Vlaeminck.

.

Deze weigert elk verder contact met de media.

Ze hoopt weldra vanzelf

te genezen en zal er dan een andere

in laten graveren.

.

Het koninkrijk gaat ten onder.

Geen zonde van de Zondvloed


Het was gisteren zover: ik trok naar de zondvloed. Eigenlijk een lachertje. Als ik bij het binnenrijden van Mechelen op tijd naar rechts afsla, moet ik gewoon rechtdoor rijden, almaar rechtdoor.

De Zondvloed in Mechelen is een boekhandel. En zoveel meer: een ware zondvloed voor wie graag leest of schrijft.

Toen ik uit de wagen stapte, liep daar de heer L. Catherine op straat. Zo wist ik meteen: ik volg hem maar dan kom ik er zo. En zo geschiedde.

Lucas Catherine is niet Philippe. Die laatste speelt gitaar, is uit Luik, speelt meer bepaald jazz en speelt de laatste tijd veel beter (dan ooit de laatste jaren). Beiden zijn wel ongeveer even oud. Lucas is bovendien Nederlandstalig en schrijft. Daarvan komt dan vaak een boek. Gisteren stelde hij zijn 23ste boek voor. Het gaat over het lobbywerk van Israël in België.

Obligaat zat in de zaal dan ook iemand die werd omschreven als “van Joods Actueel”, dat deel uitmaakt van die lobby, zo mocht blijken. Ik ga hier niet te diep in op de feiten die zich daar hebben voorgedaan. Ze waren voorspelbaar en strak in de hand gehouden door de moderator van het debat, de uitbater van de Zondvloed, Johan Vandenbroucke. Mij was het gewoon te doen om een nadere kennismaking met deze Catherine. Na afloop van de voorstelling is dat ook even gelukt. Hij is een stuk boeiender dan de doorsnee ideoloog, links of rechts, schuwt het debat niet maar heeft een hekel aan gratuite controverse. Overigens is de meeste controverse gratuit.

Nu zit het echter zo: de staat Israël, gesticht met list en geweld, beschikt over de meest doelmatige en doeltreffende veiligheid- en lobbymachine, het Instituut voor informatievergaring en bijzondere opdrachten. Beter gekend onder zijn Hebreeuwse afkorting, Mossad, opereert het wereldwijd om de vijanden van Israël een oor af te hakken (naaien kunnen ze het niet) of een lager onderdeel. De meest bemande en van andere middelen gestijfde afdeling van dit Instituut is de afdeling Desinformatie. Deze afdeling verspreidt gewoon roddel over de vijanden van het land. Ze heeft onder meer de negers in Zuid-Afrika zwarter dan zwart gemaakt en maakt van de islam een achterlijke godsdienst. Ik vroeg me af of deze Catherine een link had gevonden tussen deze afdeling en de lobby in België.

Dat bleek niet het geval. Waardoor zijn boek voor mij meteen aan waarde inboet. De man van Joods Actueel, die zich constant in de kijker werkte – hij fotografeerde de heer Catherine ostentatief en tot vervelens toe, insinueerde zaken die niet klopten, en dies meer – gaf echter geen krimp toen ik mijn vraag stelde. Ineens was hij minder waarneembaar. Hij is na afloop niet bij mij komen polsen om te vragen wat ik bedoelde.

Toen ik naar buiten ging, terug naar mijn auto en naar huis, kwam hij gelijk met mij naar buiten. Hij had een sigaret, heel dunnetjes en half verfomfaaid, gedraaid. Ik bood hem een vuurtje aan. Hij heeft het niet afgeslagen. Het gevaar dat hij mij op mijn beurt als antisemiet bestempelt is daarmee wie weet bezworen. Als hij het toch zou proberen, kan ik hem daaraan herinneren. Salaam! Vrede! Vredespijp of –sigaret, roken maar.

Naast de tipi

Het toneel komt aan huis,

nam elders de wijk,

liet er een zondvloed over waaien.

.

Tijd nu voor debat.

Bij gebrek aan deuren,

geen slaande deuren.

Zullen we dan een eindje treuren?

.

Het instituut triomfeert, blijft onvermeld.

Onvermeld groot geluk,

ongezien onbemind en ongehaat

zaait het zelf haat genoeg.

.

We mogen niet klagen noch zeuren,

stellen wat vragen,

heffen het glas,

slaan niemand om de oren

dan met een praatje,

zoemen in en uit

.

weg zijn we,

leggen het vuur nog even aan zijn lippen.