vissertje vis


Vandaag beste lezer willen we je vergasten op twee gastdichters. Het zijn beide loze vissers die het vissen in gedichten niet kunnen laten. Daar het om de poëzie gaat eerder dan om het vissen, een bespreking. Ga nu niet lopen of anders wegklikken, het heeft weinig of niets van poëziebesprekingen zoals je die uit school of weekblad kent. Temeer daar op het einde de vis ook zijn poëtisch woordje krijgt.

Hier gaan we dus.

VISSER, 50 V. CHR.

Wat deed ik anders aan de rivier
dan fuiken uitzetten, luisteren naar oude
bloeddoorlopen verhalen, grommende
in haar binnendringen en een gouden
zoon voor na mij maken?

Goed, dat was vroeger.
Maar het was deze oever, waar het gebeurde
dat ik bij maanlicht, onder het knopen
van netten, tegen het bosrijke donker daarginder
iets wonderlijks mompelde,
iets dat ik zelf niet begreep –
over een roerdomp bijvoorbeeld, en niet over helden.
Wat was het? Waar kwam het vandaan? En waarom
zocht het mijn mond, de mond van een man
in een simpele boot
op de Schelde?
Ik luisterde naar onze exegeten, maar zonder te weten
of ze de drassige aarde wel konden verklaren.
Ik geloofde nooit dat we ooit kathedralen en zo
zouden gaan bouwen.
Begrijpt u me rustig verkeerd.
In een bocht van de grote rivier
heb ik een zoon mogen maken
en hem in het dampende zonlicht der vroegte
mijn knopen geleerd.

© Benno Barnard, 2002
uit: Getierd hebbende doden, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, februari 2003

De eerste strofe = een heel leven (behalve dat we weinig van ‘haar’ te weten komen, niet meer dan dat ze baart).

In de tweede strofe begrijpen we maar al te goed dat het wonder gemompeld wordt (wie zijn dan al die schreeuwerige roepers die ons om de oren slaan met hun gebakken wonderlucht?) en zie, de dichter roept hierbij de juiste vragen op: Wat was het? Waar kwam het vandaan? En waarom zocht het mijn mond?

Een halfvreemde zin in dit gedicht is oer-Hollands: Begrijpt u me rustig verkeerd.
Niemand anders dan een Nederlander wordt onrustig van al dat verkeerd begrepene maar hier gaat het al (lang) niet meer om rust. Terwijl vissen dan weer bij uitstek rustgevend en –wekkend is.

Nu, zelf visser zijnde weet ik niet of Benno Barnard dat wel is. Het zal wel niet, hier is geen anekdote of zo neergezet. Ik ga dus niet bij hem aankloppen om knopen te leren leggen. Soms vang ik een vis, zelden een bot.

Benno verlangt duidelijk naar een voorwereldse eenvoud. Toen er nog gevist werd in de bocht van de Schelde. Nu er opnieuw gevist wordt en er men voornamelijk paling uit haalt… is Benno er weg. Weg uit Antwerpen.

Mij valt uiteraard vooral op dat dit gedicht geschreven is als enkele zinnen – scherpschutters spreken poëtisch proza – en in zijn prosodie of vorm alvast niet klassiek is maar modern. Slijpschijven komen hier niet aan te pas noch hoor je ze erbij komen kijken.

Toch is het klassiek, in zoverre het zich bij een enkel beeld houdt. Het is fraai, heel zeker.

Modern is wat nu volgt:Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn.

Paul van Ostaijen

(overigens, en dit geheel terzijde, was van Ostaijen, net als Benno Barnard, een Noord-Belg van Nederlandse oorsprong, wat allicht deels verklaart waarom zijn werk tot op heden nauwelijks bekendheid geniet in België).

Van Ostaijen had niets met vissen, noch had Marc (Jespers) dit. Het visserke uit dit gedicht hangt tegen het behang en Marc groet die visser. Overigens was het niet ’s morgens maar ’s avonds. De dichter is zo vrij geweest een loopje te nemen met de tijd. Nadien heeft de tijd hem dan weer ingehaald. Zo zie je maar.

Van Ostaijen, Barnard en ondergetekende hebben dan weer dit gemeen dat ze dromen van een cultuurnatie tussen de Moerdijk en de Leie.

Daarnaast mocht ook wel eens het standpunt van de vis gehoord worden, niet. Dat hebben we namelijk zelf als volgt verwoord:

Van de beer, de mens die overgaat

5.      Aan ontwikkeling gaat geen onderzoek

vooraf, hooguit omgekeerd.

Weten we dus veel hoe

een pantoffeldiertje ooit

omhoog is gegroeid

tot daar een beer stond.

Wel hoe vis de veelweter

de kennismaatschappij voedt

en de beer. Wel hoe gevaar

loert om de hoek

van de tafel: daar staat de honigpot.

Meer niet tot nu toe.

hoe dan wel te vissen?

 

hoe dan wel te vissen?

Hoe verblijd de afgrond geeuwt

Half weterig en met beide voeten
in het water, de zon zien zakken.
Met het hoofd even naar rechts,
blind het toeval ontzien.

Als dusdanig, niet alsof.

Terwijl het water wegtrekt,
zich verdiept onder
beemden en over boorden.

Half zweterig en met beide voeten
op de grond, een dobber zien drijven.
Als hij toehapt en bijt, de lijn
even stroomopwaarts trekken,
kleine uithalen en ophalen.

Precies zo en niet alsof.