>Trinité


>Avons-nous rejeté le dé,
dévoré la clé ?

Qui le dira ?

Le coup n’était pas de dé,
l’énigme porte sa propre clé.

Le coup était de sabre,
nous en avons avalé la trace.

Et qui le dira ?

Advertenties

Drievoud


Hebben wij de teerling verworpen,

de sleutel verslonden?

 

Wie zal het zeggen?

 

Het was niet op slag van teerling,

het raadsel draagt zijn eigen sleutel.

 

Het was op slag van sabel.

We hebben elk spoor ervan ingeslikt.

 

En wie zal het zeggen?

 dobbelsteenOcka-Song-Sabel

vissertje vis


Vandaag beste lezer willen we je vergasten op twee gastdichters. Het zijn beide loze vissers die het vissen in gedichten niet kunnen laten. Daar het om de poëzie gaat eerder dan om het vissen, een bespreking. Ga nu niet lopen of anders wegklikken, het heeft weinig of niets van poëziebesprekingen zoals je die uit school of weekblad kent. Temeer daar op het einde de vis ook zijn poëtisch woordje krijgt.

Hier gaan we dus.

VISSER, 50 V. CHR.

Wat deed ik anders aan de rivier
dan fuiken uitzetten, luisteren naar oude
bloeddoorlopen verhalen, grommende
in haar binnendringen en een gouden
zoon voor na mij maken?

Goed, dat was vroeger.
Maar het was deze oever, waar het gebeurde
dat ik bij maanlicht, onder het knopen
van netten, tegen het bosrijke donker daarginder
iets wonderlijks mompelde,
iets dat ik zelf niet begreep –
over een roerdomp bijvoorbeeld, en niet over helden.
Wat was het? Waar kwam het vandaan? En waarom
zocht het mijn mond, de mond van een man
in een simpele boot
op de Schelde?
Ik luisterde naar onze exegeten, maar zonder te weten
of ze de drassige aarde wel konden verklaren.
Ik geloofde nooit dat we ooit kathedralen en zo
zouden gaan bouwen.
Begrijpt u me rustig verkeerd.
In een bocht van de grote rivier
heb ik een zoon mogen maken
en hem in het dampende zonlicht der vroegte
mijn knopen geleerd.

© Benno Barnard, 2002
uit: Getierd hebbende doden, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, februari 2003

De eerste strofe = een heel leven (behalve dat we weinig van ‘haar’ te weten komen, niet meer dan dat ze baart).

In de tweede strofe begrijpen we maar al te goed dat het wonder gemompeld wordt (wie zijn dan al die schreeuwerige roepers die ons om de oren slaan met hun gebakken wonderlucht?) en zie, de dichter roept hierbij de juiste vragen op: Wat was het? Waar kwam het vandaan? En waarom zocht het mijn mond?

Een halfvreemde zin in dit gedicht is oer-Hollands: Begrijpt u me rustig verkeerd.
Niemand anders dan een Nederlander wordt onrustig van al dat verkeerd begrepene maar hier gaat het al (lang) niet meer om rust. Terwijl vissen dan weer bij uitstek rustgevend en –wekkend is.

Nu, zelf visser zijnde weet ik niet of Benno Barnard dat wel is. Het zal wel niet, hier is geen anekdote of zo neergezet. Ik ga dus niet bij hem aankloppen om knopen te leren leggen. Soms vang ik een vis, zelden een bot.

Benno verlangt duidelijk naar een voorwereldse eenvoud. Toen er nog gevist werd in de bocht van de Schelde. Nu er opnieuw gevist wordt en er men voornamelijk paling uit haalt… is Benno er weg. Weg uit Antwerpen.

Mij valt uiteraard vooral op dat dit gedicht geschreven is als enkele zinnen – scherpschutters spreken poëtisch proza – en in zijn prosodie of vorm alvast niet klassiek is maar modern. Slijpschijven komen hier niet aan te pas noch hoor je ze erbij komen kijken.

Toch is het klassiek, in zoverre het zich bij een enkel beeld houdt. Het is fraai, heel zeker.

Modern is wat nu volgt:Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn.

Paul van Ostaijen

(overigens, en dit geheel terzijde, was van Ostaijen, net als Benno Barnard, een Noord-Belg van Nederlandse oorsprong, wat allicht deels verklaart waarom zijn werk tot op heden nauwelijks bekendheid geniet in België).

Van Ostaijen had niets met vissen, noch had Marc (Jespers) dit. Het visserke uit dit gedicht hangt tegen het behang en Marc groet die visser. Overigens was het niet ’s morgens maar ’s avonds. De dichter is zo vrij geweest een loopje te nemen met de tijd. Nadien heeft de tijd hem dan weer ingehaald. Zo zie je maar.

Van Ostaijen, Barnard en ondergetekende hebben dan weer dit gemeen dat ze dromen van een cultuurnatie tussen de Moerdijk en de Leie.

Daarnaast mocht ook wel eens het standpunt van de vis gehoord worden, niet. Dat hebben we namelijk zelf als volgt verwoord:

Van de beer, de mens die overgaat

5.      Aan ontwikkeling gaat geen onderzoek

vooraf, hooguit omgekeerd.

Weten we dus veel hoe

een pantoffeldiertje ooit

omhoog is gegroeid

tot daar een beer stond.

Wel hoe vis de veelweter

de kennismaatschappij voedt

en de beer. Wel hoe gevaar

loert om de hoek

van de tafel: daar staat de honigpot.

Meer niet tot nu toe.

hoe dan wel te vissen?

 

hoe dan wel te vissen?

Hoe verblijd de afgrond geeuwt

Half weterig en met beide voeten
in het water, de zon zien zakken.
Met het hoofd even naar rechts,
blind het toeval ontzien.

Als dusdanig, niet alsof.

Terwijl het water wegtrekt,
zich verdiept onder
beemden en over boorden.

Half zweterig en met beide voeten
op de grond, een dobber zien drijven.
Als hij toehapt en bijt, de lijn
even stroomopwaarts trekken,
kleine uithalen en ophalen.

Precies zo en niet alsof.

Breugel komt terug


De schone de martelaere

De schone de martelaere

2.       Daarna komen ze zich

laten wassen in onschuld

Modrikamen, de martelaere en Fred.

 

Elk om beurt, de volgende.

 

Tot ze blinken

van licht.

 

Je wordt martelaar om te lijden,

Modrikamen laat ons lachen,

Fred doet ons zingen

en ezels zijn er

om op te zitten.

(om onduidelijke redenen werd dit deel van de cyclus niet zichtbaar gemaakt bij publicatie op dit blog)

DHKPC revisited


Het gebouw was een eender gebouw: het had alles weg van een voormalig pakhuis, uit de tijd dat bedrijven nog voorraden aanlegden. Later deden ze dat niet meer, ze leverden in werkelijke tijd, ongeacht de verkeersellende die dat meebracht en de tijd die ze daarmee zelf verloren. Nu doen ze het nog steeds niet, nu niemand nog iets uit hun voorraden wil kopen.

Het was met andere woorden een uitgelezen locatie om bedrijfsleiders bijeen te brengen. Ineens kon de parking weer worden gebruikt. Ze had er jaren leeg bij gestaan en was al groen van het mos en het gras. Vanavond stonden er dus weer volop wagens. De meeste waren nauwelijks twee jaar oud en hadden gemiddeld een vermogen van meer dan 160 pk. Een aandachtig toeschouwer zou in het neonlicht ook hebben gemerkt dat de meeste huurwagens waren, eigendom dus van een leasingmaatschappij.

Binnen was het gebouw voor de gelegenheid en in geen tijd aangekleed voor de wat plechtige, zij het geheime bijeenkomst. De organiserende club, Doe Het Keurig Pak de Centen, kortweg DHKPC, zou hier immers zichzelf een nieuwe maatschappelijke rol toebedelen. Elke deelnemer genoot zoals gewoonlijk voluit van zijn en hier en daar ook al zelfs haar anonimiteit, al viel het niet uit te sluiten dat er onder hen stiekem een Zwitsers journalist schuil ging. Of een Belgisch journalist van een of andere kwaliteitskrant. Of een agent van een of andere inlichtingendienst, vooral een Belgische dan. We lopen nu eenmaal graag wat vooruit op de feiten.

De feiten dus. Om acht uur, zijnde twintig uur, gingen de deuren potdicht. Iedereen zat op zijn en hier en daar ook haar stoel en het licht in het zaaltje ging uit. Eerst verscheen de voorzitter ten tonele. Hij sprak zoals het een voorzitter betaamt, afgemeten in zijn woorden, plechtig in zijn stem.

“Voortaan wordt onze vereniging een zelfhulpgroep. We hebben jaren lang bijeenkomsten gehouden waar we rijkelijk champagne en sigaren konden verteren. Die tijd is nu voorbij. We hebben jaren lang geleefd als kapitalisten. Die tijd is nu voorbij. We worden vandaag een zelfhulpgroep onder communistische vlag. Als de bijeenkomst afgelopen is, zal onze secretaris rondkomen en kunt u hem uw autosleutels afgeven. De vereniging zorgt er dan voor dat uw wagen, die de uwe niet is, bij de rechtmatige eigenaar terechtkomt. Een beetje dienstverlening bent u wel gewoon in deze club. Nu laat ik het woord aan onze bijzondere gastspreekster.”

Er verscheen een tijdlang niets meer op het podium, toen de voorzitter was afgetreden via de treden en gaan zitten in de zaal, uiteraard op de voorste rij. Het licht werd geregeld. Was daarnet nog blauw de boventoon in de verlichting, nu werd het paars en geleidelijk werd het licht roder. Er zwol een beetje muziek aan, geen strijkje, maar een marsje. De persoon die nu verscheen was voor velen een totaal onbekende, zeker omdat Fehriye Erdal het pseudoniem Daalder gebruikte. Bovendien zag ze er lichtelijk feeëriek uit in haar rode baljurk.

In tegenstelling tot Osama Bin Laden is Erdal minder gezocht. Ze liep er zelfs uitgelaten bij, daar op dat podium. Osama was trouwens nog niet veroordeeld, laat staan gevonden, Erdal was al gevonden, veroordeeld en dan op de valreep ontsnapt. Nu dus bleek ze zich in te zetten voor een nobel doel: de recyclage van bedrijfsleiders van de vrije markt naar de planeconomie. Niet de Belgische variant van die laatste, de trek uw plan economie en liefst in het zwart. Nee, de enige echte ware planeconomie van vadertjes Lenin, Marx en Staalharde Ome Jozef. Ze sprak de goegemeente in deze club toe in het Frans, tot nader order nog steeds de betere wereldvoertaal. Ze sprak eigenlijk de mensen niet echt toe, ze deelde bevelen uit.

Na afloop van haar rede stonden de bedrijfsleiders op, gaven hun sleutels af en verzamelden zich bij de uitgang. Deze bleek ineens streng bewaakt van binnen. Toen de grendels werden weggeschoven, trokken de clubleden naar buiten, niet zo uitgelaten als men van hen gewoon zou zijn, maar beteuterd en in een lange zwijgende rij. Een bus wachtte hen op. Ze namen plaats en reden vervolgens met de bus naar de volgende bestemming: de heropvoedingsschool, nu omgevormd tot bedrijfsleidersrecylagecentrum.

En hoe u dit nu allemaal hier kunt lezen en wie dit allemaal te weten is gekomen en aan de dans, in casu de bus is ontsnapt? Hebt u dit, lezer, te danken aan een undercover Zwitsers journalist, een loslippige geheime agent van de Belgische veiligheidsdienst of aan een undercover Belgisch journalist van een kwaliteitskrant? Dit dienen we hier in het midden te laten, u begrijpt volkomen waarom, nietwaar.