Open brief aan Gerda Dendooven


Beste lieve, gekke mevrouw,

Ik ken u weliswaar niet en schrijf u daarom aan in zo’n hoogverheven vorm als de tweede persoon meervoud, ware het niet dat je zondag op de radio Daniil Charms vernoemd hebt als een van je lievelingsauteurs.

Meteen vraag ik me dan af en vraag het hierbij op de vrouw af: en wat met Henri Michaux? Heb je die ook gelezen? En als dat niet het geval zou zijn, wordt het dan niet stilaan tijd? En zou je vandaar dan niet bij mijn werk en bij deze brief belanden?

Bij deze beland je trouwens in de volgende rij mensen aan wie ik een open brief heb geschreven: Chris van Camp (druk bezocht op dit blog), de burgemeester van Temse, David Troch, Benno Barnard.

Tijd dus voor wat verbeelding, aan de macht? Toch minstens in de letteren. Gedaan met de journalistieke, anekdotische in- en doodsteek waaraan zoveel letterkunde tegenwoordig lijdt. Zo mag ik jouw boodschap en oproep samenvatten.

En dat onze kinderen en kleinkinderen nog wat verbeelding mogen behouden bij het ouder worden, nietwaar, zoals wij dat hebben gedaan. Het is onze schat en inflatie heeft er geen greep op. De schoolse opvoeding en vooral, later, de samenleving met haar arbeidsmarkt proberen ze wel in een wurggreep te krijgen. Of in een citroenpers.

Wat Michaux betreft, ik heb die vertaald en vervolgens aangehaald in een essay over de gemiddelde gektegraad in de moderne poëzie. Het had als titel: goedschiks kwaadschiks, goedgeks kwaadgeks en is indertijd, de jaren 1980, verschenen aan de universiteit in Leiden.

Geheel terzijde gegroet.

 

Advertenties