Hoe maak ik er een buitengewone dag van?


Op straat lopen massa’s mensen op de uren van de dag. Laat ons zeggen tussen acht uur en twintig uur. Zoveel dat we er niet altijd acht op slaan. We kijken nauwelijks, we stappen door. We stappen dermate door dat we niet weten hoe we stoppen, tenzij we ons doel bereiken. Een winkel, een kantoor, een plaats waar we ons naartoe begeven.

We kennen eigenlijk niemand in deze massa. De voorbijganger is er onzichtbaar. Onder de voorbijgangers loopt een man over het voetpad en luistert naar het ronken van motoren. Hij lijkt geen doel te hebben. Hij wandelt en hoort het ronken van motoren op straat. Vrachtwagens, wagens, benzine-, dieselmotoren, bromfietsen, motoren met motorrijders.

Het doet er niet toe of het warm of koud is, of het regent of niet.

Het is al wat later dan tien uur, de stroom voorbijgangers vermindert. De man luistert en wandelt en hoeft niets anders te doen. Draagt hij een lange stofbaard? Of een haast exotische kledij? In Londen of Parijs is exotisch niet hetzelfde als in New Dehli of in New York of nog in Dakar. Zijn kledij doet er niet toe. En laat die baard maar vallen, hij draagt geen baard.

Even was er gevaar maar aldus is het alweer geweken.

Volgen wij een spion zonder dat hij het weet? Weten wij het dan? Zullen we het weten? Of is het zomaar een maan die zonder doel wandelt? Een spion die een geheim doel heeft loopt er ook zo bij om zijn geheim doel geheim te houden. De meeste spionnen in dienst wandelen of rijden met een wagen, waarvan de motor ronkt. Er zijn er die zich tevreden stellen met een taxi.

Ongeveer rond elf uur loopt de man een gebouw binnen. Een kwartier later komt hij buiten. Zo te zien, er hangen veel koperen naamborden, huizen nogal wat kantoren in het gebouw. Het is dus waarschijnlijk dat de man er buiten is gekomen met een papier. Of met gegevens opgeslagen in een chip. Er is nauwelijks verbeelding nodig om er een idee van te krijgen. We zijn dus volkomen gerust gesteld. Waarvoor? Voor zijn lot? Voor ons lot? Of is hij daar gewoon binnengelopen om bepaalde bewegingen te observeren, om er later terug te keren om er een diefstal, een inbraak of een aanslag te plegen? Dat is minder geruststellend.

Door zo na te denken zijn we hem kwijt in de mensenstroom die ontstaat rond de middag. Laten we wachten tot veertien uur. Spijkers wachten niet op laag water. Wachten wij dan tot de mensenstroom wegebt? Is dit Spijkernisse? Zoiets, eigenlijk een samenloop van omstandigheden, mogen we niet uitsluiten. Of heet de man Naegelmakers? Of is hij langs geweest bij de bank Nagelmaeckers? Het zou volmaakt kunnen en doet er verder niet toe. De Europese Unie heeft misschien met zich gebracht dat die kleine bank opgegaan is in een grotere.

Om achttien uur vinden we hem terug. Wat hebben wij al die tijd gedaan? Wat heeft de man al die tijd gedaan die we uit het oog verloren zijn?

Hij stapt uit een kroeg en zonder naar het ronken van motoren te luisteren neemt hij een bus. Als hij uitstapt stapt hij op een huis af, doet de deur open met een sleutel. Is hij thuis? Is dit zijn kasteel. Hij komt thuis.

(hier is het vervolg)

Een motor ronkt en spint

bij de gestage beklimming

          zie de worm al glimmen –

van de venusheuvel.

 

Zonder papieren zonder meer

komt hij eraan tot op de duur.

 

Kloof in de kunstberg

herbergt moderne kunst.

 

De kunst bestaat erin

de kloof in de heuvel

te dichten tot op de duur.

 

Gil ga met me mee

steevast en treder

overtreedt onderspit

wat valt hier te delven

op zo’n kluitje duif

in zo’n gleuf tot op

 

de duur dermate lopen gaat

dat loopt over en uit.

 (als je doorklikt naar profonde lalangue, krijg je hetzelfde + iets meer te zien)

Advertenties

>Comment rendre un jour extraordinaire?


>

Dans la rue, il y a des masses de gens aux heures du jour. Disons, entre huit heures et vingt heures. Il y en a tellement que l’on n’y fait pas toujours attention. On regarde à peine, on marche. On marche tellement que l’on ne trouve pas le moyen de s’arrêter, sauf si l’on atteint son but. Un magasin, un bureau, une place quelconque où l’on se dirige.
On ne connaît pratiquement personne dans cette masse. Le passant y est invisible. Parmi les passants, un homme marche le long du trottoir écoutant le vrombissement des moteurs. Il ne semble pas avoir de but. Il se promène et écoute le vrombissement des moteurs dans la rue. Camions, voitures, moteurs à essence, moteurs à gasoil, vélomoteurs, moteurs des motards.

Peu importe s’il faut chaud ou froid, s’il pleut ou pas.

Il est passé dix heures, le flux des passants diminue. L’homme écoute en se promenant. Il n’a rien d’autre à faire. Porte-t-il la barbe peu drue, le vêtement quasi exotique? À Londres ou à Paris, l’exotisme n’est pas le même qu’à New Dehli ou à New York ou encore à Dakar. Peu importe son vêtement. Quant à la barbe, passons. Il ne porte pas la barbe.

Le danger était imminent mais s’écarte de la sorte.

Sommes-nous en train de suivre un espion à son insu? Le savons-nous? Le saurons-nous? Ou est-ce un homme quelconque, sans but, se promenant? Un espion ayant un but secret, se promène tel quel, afin de garder son but secret. La plupart des espions en service se promènent ou conduisent une voiture, dont le moteur vrombit. Il y en a aussi qui se contentent d’un taxi.

Il est à peu près onze heures lorsque l’homme entre dans un immeuble. Un quart d’heure après il sort. L’immeuble, à première vue portant un grand nombre de plaquettes, héberge des bureaux. Il est donc probable que l’homme en est sorti avec un papier. Ou avec une donnée quelconque qu’il porte dans son portefeuille, la donnée étant couchée sur papier ou encore enregistrée dans une puce. Il ne faut pratiquement aucune imagination pour s’y faire une idée. Nous sommes parfaitement rassurés. De quoi? De son sort? De notre sort? Ou serait-il simplement entré pour y observer certains mouvements, pour y revenir après afin d’effectuer un vol, un cambriolage ou un attentat? Cela est moins rassurant.

À force de réfléchir de la sorte, nous le perdons de vue dans la masse qui afflue à partir de midi. Attendons quatorze heures, au lieu de chercher quatorze heures. Tout serait parfait si l’homme disparaît dans la masse Rue du Midi. Rien n’exclue cette coïncidence. Vous dites alors: cela doit être Bruxelles! Ou plus parfait si l’homme disparaît dans la masse Rue Cherche Midi. Paris, ça alors! Cela est d’ailleurs parfaitement égal: l’union européenne est arrivée à tel point où il peut pleuvoir tant à Bruxelles qu’à Paris, au même moment, avec le même volume d’eau tombante. Toutefois, il ne pleut pas.

Il est dix-huit heurs lorsque nous le retrouvons. Qu’avons-nous fait pendant toutes ces heures? Qu’a-il fait, lui, l’homme que nous avions perdu de vue?

Il sort d’un bistrot et, sans écouter les bruits de moteurs, prend un bus. Il en descend pour ouvrir, d’une clé qu’il sort de la poche, une porte de maison. Serait-ce son château? Il est rentré.

Un moteur ronronne et vrombit
en montant progressivement, lentement
– voilà le ver qui brille –
le mont venus.

Sans papiers sans plus
il arrive et à la longue.

Abîme au mont des arts
pointant vers l’art moderne.

Tout l’art consiste à fermer
l’abîme au mont jusqu’à la longue.

Crie va viens joins rejoins moi
à tout coup à couper tout rituel
dépassant trépassant
qu’y a-t-il ici
qu’il faut extraire
d’un si petit mont
à si petit abîme qu’à

la longue tout galope tel
que tout déborde et encore
et en corps en sève au lit.