>Jour du poème


>

Depuis huit ans, aux Pays-Bas et au Nord de la Belgique, le dernier jeudi du mois de janvier est le jour du poème. A cette occasion, le cercle dont je fait partie, organise une estafette: un poète prend la parole, la mène et la passe au suivant. A la fin, c’était mon tour (photo: Kaatje Wharton) et j’y ai déclamé deux poèmes, dont celui ci:

Ce matin-là au café Bagdad et la nuit à la galerie de lapin

(poème bilocal ou comment parfois le poète peut vraiment se trouver partout)

La sueur décide elle-même
de tomber froide. Au débotté
nous mettons nos bottes,
tout en faisant attention
à la pierre d’achoppement.

Est-ce que ça avance?
Ou faut-il tirer sur la carotte?

Poltron comme un lièvre
qui a peur de la carotte, se cassant.
S’il la mange, il se remet.

Les exploitants du café,
quels étrangers, fouinent
et n’hébergent personne,
mettant la main à la crosse
à merveille.

Gedichtendag


Morgen is het weer gewoontegetrouw Gedichtendag in Nederland en Noord-België. Zo weet u het dus, het Zuiden doet niet mee. Dan houden we in Antwerpen een poëzie-estafette. Vroeger was dat in de Muziekdoos, maar die is zo goed als dicht. Dit jaar krijgen we twee kamers in de kunstkamers Indian Caps. Als je op Google zoekt naar Indian Caps vind je wel de weg. We beginnen om 19 uur. Hier alvast een voorsmaak. Voor beelden van het café, zie ‘mijn foto’s’
 

Die ochtend in het café Bagdad en ’s nachts in de konijnenpijp

 

(een bilokaal gedicht of hoe de dichter soms echt overal kan zijn)

 

 

Zweet maakt zelf

uit of het verklamt.

Schoenen nemen wij

voetstoots aan

en letten nauwkeurig

op de struikelsteen.

 

Schiet het zo wel op?

Schiet het niet veeleer wortel?

 

Een haas die bang is voor een wortel

knapt af. Eet hij die wortel toch,

knapt op.

 

Vreemde uitbaters in het café,

ze neuzelen en herbergen

geen kat, leggen steeds weer

een hand op de kolf.

 

 


Die ochtend op kantoor en ’s avonds op café

 

Zweet maakt zelf uit

of het verschijnt.

Schoenen gooien we

voetstoots uit

en letten nauwkeurig

op onze pantoffels.

 

Schiet het hier wat op?

Schiet hier iemand uit zijn slof?

 

Een haas die beunt om een wortel,

knapt af. Zet hij er dan toch de tanden in,

knapt op.

 

Vreemde bovenleiding in de wind,

ze bakt de lucht wat en zweeft,

geen kat heeft er wat

op of aan.

 

Verovering van de wereld


Bijvoegsel bij een vorig tussentijds verslag:
Gisteren heb ik op ‘profonde lalangue’ de eerste Aziatische bezoeker genoteerd (uit Kuala Lumpur), terwijl tussendoor het Verenigd Koninkrijk ook al is veroverd.
Tieftalen haalt deze week meer dan 120 bezoekers! Dank aan allen, merci à tous.

veroverde landen (nog een deel)


De reisindustrie gaat te werk als elke andere, grootschalige, vlot georganiseerde bedrijvigheid: vernietigend. Toerisme en terrorisme, nergens een rustpunt.

De gastheer plant een uitstap met zijn gezin en zijn gast. Zoals het hier zomert, begint zelfs lood te zweten. Daarom denkt hij aan een verfrissende plek. De zee is meer dan tweehonderd kilometer ver. Te ver. De auto’s rijden de bergen in. Hoe hoger ze rijden, hoe warmer ze stijgen. Een van de auto’s moet even aan de kant op adem komen. Het koelwater stoomt en pruttelt. Drie fietsers komen er aan, klein verzet, op fietsen die je hier zelden ziet, landsvreemde gezichten. Ook zij houden een adempauze. Twee van de drie spreken de taal van de gast wiens auto afkoelt. "Geweldig, joch," hoort hij de ene fietser vertellen. "Gisteren dacht ik dat ik er even uit moest. Ja, toen zat ik nog op kantoor. Te gek, hé. Dan belde ik mijn twee kompanen op, bestelde meteen vliegtickets en zo zaten we gisteren in het vliegtuig, met de fietsen uiteengehaald. Deze morgen dan met een taxi tot aan de voet van de bergen. En kijk, hier zijn we al." En weg rijden ze. Ook de auto’s vervolgen hun weg. Ze rijden door een dorp, vervolgens op een stuwdam. Soldaten bewaken hier de boel. Het is verboden foto’s te nemen. Dit stuwmeer is van groot belang in een land waar water schaars is. Even later rijden ze een parkeerterrein op. De hitte slaat toe als ze uitstappen. Het kan best veertig graden zijn. Ze volgen een smal pad naar beneden. Naarmate ze dalen, daalt de temperatuur. Beneden is een meertje. Het wordt gevoed door een waterval. Het pad dat ze afdalen is even lang als de val van het water. Ze wandelen meer dan vijf minuten naar beneden.

Daar zoeken ze een vrije plek. Er zitten veel mensen op het gras, er spelen en zwemmen er veel in het water. De gastheer, zijn jongste broer en de gast plonzen in het frisse water. Het is meer dan achttien graden warm, maar voelt fris aan. Ze zwemmen naar de waterval. Zover gaan ze echter niet echt. Ze zwemmen naar de oever en klimmen er uit, op de glibberige rotsen. Met handen en voeten lopen ze langs de oever, achter de waterval door. De gast is dit soort rotspartij niet gewoon, zeker niet met blote voeten. Ineens glijdt hij uit en verdwijnt in het water. De gastheer en zijn broer hebben het gezien en duiken meteen het water in. Tot hun opluchting verschijnt weldra, aan de andere kant van de waterval, het hoofd van hun gast boven water. Hij is onder de waterval door gezwommen.

>Qu’elles sont loins, les lumières


>Les Etats-Unis, fruit des lumières, ont perdu tout contact avec leur source. Ne lit-on pas dans Voltaire, L’homme aux quarante écus: “La guerre offensive est d’un tyran“?

Guerre et terreur

Qu’est-ce que l’Amérique se décoiffe,
qu’est-ce qu’elle a la trouille.
Tu as peur, tonton Samthomas.

Des avions déviant font peur!
Où est-ce ça décoiffe?
Où y a-t-il bourca?
En Afghanistan, Talibantrouille.

Une tasse de café
au café Bagdad?
À en perdre la tête, quel éclat!

Babylon compte plus d’un fleuve
De quoi décoiffer l’Amérique.
Il y a la guerre et le paysan arrête
Il avale une cacahouète de travers.

Les brumes où les temps se dispersent
voilà qui nous regardent

>Je l’ai dit: oui


>

L’affaire du magasin à confusion

Enfin, il a fallu du temps
et quel travail, nous ne ressemblons
plus à rien mais à autre chose.

Longueur de cheveux dépassant les épaules
et, qui sait, aux yeux bleus.

Le centre fuge et
on ferme boutique.
En fugue, nous voilà partis.

Au point de retour, des années
plus tard, nous nous retournons.
Les cheveux à ras le bol,
à la recherche du centre.

La boutique a disparu. La nuit,
les étoiles scintillent
sans nous reconnaître.