Avant garde


En avant, garde, en avant

 

Het zou onze tijd wel zijn

en ging toen in. Haast

struikelden we over elkaar.

 

Nu nog in het midden

deelt de zuil ons in.

 

Meestal liepen we – vooruit! –

elkaar voor de voeten.

 

Niet eens in het midden meer

rondt de zuil af.

 

Op de tast viel er wel altijd

een touw te rapen

om aan het voortouw te knopen.

 

Nu nog, we zitten er mee,

staan we tweemaal daags

op en vormen koor

met koord – vooruit!