Open spiekbrief aan dhr. Philip Dewinter


Mijnheer Dewinter of de Winter,

 

Het heeft niet mogen baten die laatste truuk die u van mij hebt gejat: iedereen op straat spreekt Nederlands en, zo hebt u zelf gedacht, laten we daar een gedragscode over maken en we stoppen er vlug nog enkele andere worstvulling in.

Ja, u weet dat ik al jaren ijver voor het gebruik van de landstaal op openbare ruimten en weg met die boertige streektalen waaronder ook het Antwerps. En uw West-Vlaams.

Dat u bovendien die idee lanceert op een plaats waar ik twee dagen eerder nog mede het woord voerde opdat het zou vrij blijven… dat wijst ook in een bepaalde richting. Als u dan nog eens uit mijn broekzak dat papiertje jat waarop ‘deontologische code – code déontologique’ geschreven stond (ik ben er momenteel wel mee bezig), dan is er geen twijfel meer. U hebt helemaal niets uitgevonden en het heeft u nog eens windeieren gelegd bovendien. Iedereen opgelucht dus.

Nee, om de Noord-Belg zijn gouwtaal te doen spreken zal er meer of minder nodig zijn dan een gedragscode. Meer: een opvoedingsproject bijvoorbeeld. Minder: maar dan vlug voor het Nederlands de lage landen verlaat om voorgoed in de zee te verdwijnen (in Nederland gaat het in sneltreinvaart achteruit sinds alles daar zo leefbaar geworden is).

Tenslotte, mijnheer de Winter, is het nu herfst en vallen naast de eerste bladen de stukken van het blokbehang.