nog meer poëzie


Beschouwingen achteraf

 

Vader, moeder, waarom schrijven wij? En zo kort.

 Doorgaans schrijf ik gedichten van hooguit twaalf regels. Al jaren. Heel vroeger lette ik daar niet op. Waarom? Heb ik mijn definitieve vorm gevonden? Kan het meer of nog minder? Dit zijn geen knagende hamvragen van twijfel, maar nuchtere. Evenmin weet ik hoelang ik het daarbij zal houden.

 Schrijven ontstaat uit drang, een eruptie. Ballen vol zaad knallen open. Het is lente. Veel van wat later in de zomer geschiedt, is herhaling, in mineur. De zon schittert aan het zwerk en het besef is er: schrijven is niet zozeer zelfexpressie of -eruptie maar iets toevoegen aan dit universum, scheppen. Om aan het vele wat er is iets toe te voegen dat ons overleeft, standhoudt, lijkt het me dat de weg van de schepper de korte, gebalde en meerlagige weg de meest aangewezen is. In de meerlagige taal zit het teveel, de overvloed, terwijl de korte vorm, gedreven in twaalf regels, sober lijkt, karig. Enkel naakt kan ik gul zijn, tomeloos. Die spanning tussen de sobere vorm en de overvolle lading houdt het gaande.

 

Van Ostaijen ontdekte in zijn latere poëzie de twaalfregelige dichtvorm. In een vraaggesprek met zichzelf zei hij dat het heel eenvoudig is om daartoe te komen: je schrapt vanaf de dertiende regel.

Schrappen? De schilder en schrijver Serge Largot vroeg me ooit met enige verwondering: Schrap je echt veel? Ik antwoordde: Niet nadat ik geschreven heb, maar vooraleer ik schrijf. Het is goed het woord aan zichzelf te geven, te laten, je als schrijver aan het woord over te geven, net zoals het goed is de roes ervan, de extase, tijdig te stoppen. Overgave, herwinning.

 Die twaalf regels zijn de gulden snede. Er gaat een duizeling van uit van de toonzetting en de zinsverglijdingen in (mijn) gedichten: de schroeven zijn losgedraaid. Om niet al te verbijsterd te raken van deze schier oneindige beweging, is de beperking tot twaalf regels als een boei in de bruisende branding. De muzische krachten worden aldus in evenwicht, heel soms in harmonie gebracht door de redelijke vorm. Wat zich toevoegt aan het bestaande, staat aldus de rest niet in de weg, maar kan zich inpassen. Het is het principe van de goede architectuur. Het klinkt soms mooi. Meestal betovert het.

 

Inmiddels heb ik de twaalfregelige vorm doorbroken, de gulden snede doorboord. Het is gebeurd bij het gedicht Janmaat. Die vorm te doorbreken was een prangende opdracht. Toen na een maand schrijven – om niet te moeten herschrijven – het gedicht er stond, was ik niet zozeer vrij, uitgelaten blij, als wel verbijsterd. Daarop las ik het voor aan een van mijn eerste lezers. Die vroeg me van wie ik dit gedicht vertaald had.  Nog verder gaat het met de wereld de andere kant op, oorlog dreigt. En zie, ik draag sinds het voorjaar 2004 nog zelden gedichten voor. In de plaats komen lachnummers in performant proza.

De gebruikswaarde van poëzie wordt schromelijk onderschat in dit tijdperk van CD, CD-Rom en andere compacte dragers. Poëzie is de wereld compact in een visie geschreven, in een formaat dat je soms op zak kunt steken. Op momenten dat je de tijd moet doden, is er geen beter wapen dan een bundel verzen. Je slaat een willekeurige bladzijde open en weg ben je. Niet de vraag hoeveel lezers zich aldus willen laten gaan, dient de bekommernis te zijn van uitgevers en geldschieters (overheid, sponsors). De kijk- of leesdichtheid vormt een gegeven dat statistieken en archiefkasten voedt, niets meer. Eén lezer die zich in die visie waagt is al een feest waard.

De maatschappelijke waarde van poëzie lijkt toegenomen. Er is een jaarlijkse gedichtendag, er zijn hier en daar stadsdichters. Stadsdichters? In Gent is thans de stadsdichter Erwin Mortier. Toch geen dichter en toch stadsdichter. Schrijft goed proza. In Antwerpen heeft Tom Lanoye net de pen doorgegeven aan Ramsey Nasr. Lanoye een dichter? Veer retoriek en een brede theatraliteit, dat wel. Met Nasr dan toch nog een dichter. De maatschappij doet alsof ze een moer geeft om poëzie, veel retoriek en een breed theatraal gebaar.

Een ander maatschappelijk gegeven – al te zeer onderschat – dat de bloei van poëzie in de weg staat, is wat we hier bij gelegenheid de pseudo-exotische aard van de bevolking zullen noemen. Onlangs heeft de landelijk-gouwelijke radio 1 het mooiste woord uit wat ze meent de Nederlandse taal te zijn, verkozen. Het is een Latijns woord geworden.

Iedereen weet het, de gustibus, coloribus et mulieribus non disputandum est. Over geuren, kleuren en vrouwen valt niet te redetwisten.

Uit gustus is in het Noorden van België het woord goesting in de landstaal geslopen. Ze vinden het mooier dan ergens trek in hebben. Het exotische is dus mooier, zolang het maar niet op straat rondhangt, of keet schopt.

Hier bestaat dus geen voorkeur voor beheersing van de eigen taal, laat staan dat de bevolking in voldoende getale zich waagt aan poëzie die verder gaat dan gekunstelde, onthullende en journalistieke mededeling.

Voorts klinkt de viermatendreun vertrouwd in de oren en vindt tegentijd geen genade in hun oren. Komrij houdt zich aan de vier maten mechanisch klinkende dreun. Hooguit mag het wat meer disco gekleurd zijn, nog holler klinken.

Vooral dus geen tussentijd. Laat de ware exoot in ons, de neger bijvoorbeeld,  of noem hem de creool, rustig slapen.

Taal is uitermate ongeschikt voor authentieke uitdrukking. Vooreerst is taal een collectieve aangelegenheid, iets om mee te communiceren. Dus ook iets om mee te liegen, een sociale rol aan te meten. Daarnaast gaat taal in de communicatie over iets, en in die ruimte (over en eraan voorbij) kan wie spreekt zich verbergen.

Voor muziek geldt in zekere mate hetzelfde. In de muziek zijn echter de (bie)boppers gaan breken, afbreken, om met de brokstukken zich op te bouwen. Ze hebben een speelwijze ontdekt waarmee ze dichter bij zichzelf komen.

Sinds jaar en dag speel ik op die zelfde wijze met woorden. Schrappen, losschroeven, neerhalen en dan weer in mekaar prutsen, weer ik ineen prutsen.

Een sleutelgedicht tot dit werk verscheen reeds in de eerste bundel “Wie herinnert zich nog het dorp? De autowegen?” Het was opgenomen in de uitzending van Foon op BRT 3 in 1978.

 

Los Angeles, the less you care

for a city, it’s clear you hear

the more the heart of her matter

– do you like to drink a cup of tea?

While you don’t care for a city.

And softly she layed down

her name.

 

And since then

you hear her naked.


Het heeft meer dan tien jaar geduurd voor dit gedicht zijn vertaling kreeg:

 

Engeland, hoe minder je geeft

om een eiland, des te meer

hoor je haar hart in haar borst kloppen

– wil je een kop thee?

Terwijl je niet geeft om een eiland.

En zachtjes legde ze

haar naam af.

 

Sindsdien

hoor je haar naakt.

  

Rijst nu bij u de vraag waarom het allemaal zo moeilijk is, zo weinig begrijpelijk op eerste zicht, denk dan aan de werken van T.S. Elliot, Peter Verhelst, Emily Dickinson en denk dan vooral: misschien is niet alles hapklaar te maken.

Marc Tiefenthal 2005
edgar allen poediepzeehengelvis_amphirhamphus
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s